Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
medeplegen van van het plegen van witwassen een gewoonte maken” (kort gezegd: medeplegen van gewoontewitwassen) en 2 “
als bestuurder deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden.
hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2006 tot en met 30 mei 2011, in de gemeente Nijmegen en elders in Nederland en Kleve en/of elders in Duitsland tezamen en in vereniging met rechtspersonen en natuurlijke personen telkens een voorwerp, te weten een geldbedrag heeft verworven en voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen en/of omgezet, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit- het plegen van sociale verzekeringsfraude en belastingfraude, bestaande uit het niet afdragen van sociale verzekeringspremies en/of belastingen in Nederland en/of Duitsland en- het in Duitsland zonder vergunning uitlenen en tewerkstellen van personen met een andere dan de Duitse nationaliteit, (hetgeen in Duitsland een misdrijf is volgens paragraaf 15 van het Gesetz zur Regelung der gewerbsmässigen Arbeitnehmerüberlassung)
hij in de periode van 1 januari 2006 tot en met 30 mei 2011 in de gemeente Nijmegen en/of elders in Nederland en Kleve en/of elders in Duitsland tezamen en in vereniging met
5. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 7 december 2010 (V05-001) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven -als verklaring van verdachte:
A: [B] is ook een uitzendbureau. [B] B.V. was aandeelhouder van [C] . Beide bedrijven halen personeel uit Polen en Hongarije.
A: Op papier gebeurde er niet veel meer bij [A] . Ik weet dat [medeverdachte 2] [A] heeft gekocht. Bij [B] bleef ik hetzelfde werk doen als bij [A] . Ik hield dezelfde baas, dat was [betrokkene 1] . Ik heb eigenlijk steeds hetzelfde werk gedaan. Alleen de naam is veranderd van de werkgever.
Ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde
eerste middelklaagt over het onder 1 bewezen verklaarde opzet op het medeplegen van gewoontewitwassen.
tweede middelbevat de klacht dat het onder 1 bewezen verklaarde onvoldoende, dan wel onbegrijpelijk is gemotiveerd nu de bewijsvoering niet inhoudt waaruit volgt dat de verdachte (als medepleger) heeft witgewassen door “
het in Duitsland zonder vergunning uitlenen en tewerkstellen van personen met een andere dan de Duitse nationaliteit”.
derde middelis geformuleerd op een zelfde wijze als het tweede middel en houdt in dat het onder 2 bewezen verklaarde – als bestuurder deelnemen aan een criminele organisatie –onvoldoende, dan wel onbegrijpelijk is gemotiveerd nu de bewijsvoering niet inhoudt waaruit volgt dat de verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die het oogmerk had tot “
het in Duitsland zonder vergunning uitlenen en tewerkstellen van personen met een andere dan de Duitse nationaliteit”. De middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
Verder gaat de Rechtbank in het vonnis en in het bewijsmiddelenoverzicht in het geheel niet in op de wetenschap van de vermeende criminele herkomst die cliënt dan gehad zou hebben. Dit klemt te meer nu we zojuist hebben gezien dat cliënt betrokken was bij [C] en uit het dossier niet volgt dat [C] actief was in Duitsland in de tenlastegelegde periode. [betrokkene 4] en [betrokkene 5] verklaren overigens ook niet over Duitse lijnen of Duitse activiteiten bij [B] . Als cliënt zelf geen betrokkenheid had bij onregelmatigheden in Duitsland en hij ook niet kon weten dat medeverdachten dat mogelijk wel waren, waaruit kan dan worden afgeleid dat hij wetenschap had van een vermeende criminele herkomst? Waaruit blijkt dat hij wist dat het geld afkomstig was uit sociale verzekeringsfraude en/of belastingfraude in Nederland of Duitsland, als al zou worden aangenomen dat hij in de tenlastegelegde periode een keer in afwezigheid en ten behoeve van [medeverdachte 3] of in het kader van de terugbetaling van een persoonlijke lening, geld van [betrokkene 1] in ontvangst heeft genomen? Dit volgt niet uit het dossier en wordt door de Rechtbank niet onderbouwd.
certificate of coverage” (inmiddels heet dit een A1-verklaring) is een bewijs dat de werknemer in zijn of haar eigen (EU) land is verzekerd en dat daar verplichte sociale premies worden afgedragen. [5] Uit hetzelfde bewijsmiddel volgt dat de werknemers evenmin in Duitsland verzekerd waren, en dat zodoende ook daar de verplichte sociale premies niet zijn afgedragen. Onbetwist blijft de volgende vaststelling van het hof: “
Met steeds wisselende Duitse of Poolse firma’s werd door verdachten personeel aangeboden aan diverse Duitse bouwbedrijven tegen zeer concurrerende prijzen. Afdrachten aan de Duitse fiscale of sociale autoriteiten inzake dat in Duitsland werkzame personeel vonden niet plaats.” Het verdienmodel van de verdachte en zijn medeverdachten was kennelijk erop gericht winst te maken door te voorkomen dat sociale premies moesten worden afgedragen. Deze opzet kon slechts slagen door de voor inning van sociale premies verantwoordelijke instanties in het ongewisse te laten over het tewerkstellen van personeel. Aldus liggen de redenen voor afwijking van hetgeen de verdediging heeft betoogd genoegzaam besloten in de bewijsvoering. Dat het hof uit dit geheel van omstandigheden heeft afgeleid dat de verdachte bekend was met de (strafbare) gang van zaken – sterker: mede de koers bepaalde – bij het bedrijvencluster, acht ik niet onbegrijpelijk. Het hof hoefde daarop – voor zover daarover is geklaagd – ook niet nog uitgebreider te reageren dan het al heeft gedaan.
het in Duitsland zonder vergunning uitlenen en tewerkstellen van personen met een andere dan de Duitse nationaliteit”, noch dat de verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die datzelfde misdrijf tot oogmerk had.
vierde middelklaagt dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden.