Conclusie
Nummer19/00603
opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd”, 2. “
medeplegen van van witwassen een gewoonte maken” (kort gezegd: medeplegen gewoontewitwassen) en 3. “
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden.
eerste middelklaagt dat het hof wegens een eerdere veroordeling ten onrechte het Openbaar Ministerie (OM) ontvankelijk heeft geacht in de strafvervolging van de verdachte ter zake van gewoontewitwassen en deelneming aan een criminele organisatie (feiten 2 en 3).
2. hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 30 mei 2011, in
- [betrokkene 1] en/of[betrokkene 2] en/of
- [medeverdachte 3] en/of
- [medeverdachte 1] en/of
- [A] B.V. en/of
- [B] B.V. en/of
- [C] B.V. en/of
- [D] B.V. en/of
- [R] B.V. en/of
- [S] en/of
- [E] Ltd en/of
- [T] Ltd en/of
- [F] GmbH en/of
- [G] en/of[Q] GmbH en/of
- [H] GmbH en/of
- [I] en/of
- [J] GmbH en/of[K] GmbH en/of
- [H] GmbH en/of
- [L] GmbH en/of
- [M] GmbH en/of
- [N] Sp.z.o.o. en/of
- [P] Sp.z.o.o. en/of
- [U] en/ofeen of een aantal (andere) (buitenlandse) rechtsperso(o)n(en) en/of een of een aantal (andere) natuurlijk(e) perso(o)n(en),
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
“Ontvankelijkheid feiten 2 en 3
De gedragingen van cliënt zullen het probleem niet zijn. In de Duitse en de Nederlandse procedure gaat het om exact dezelfde handelingen, in dezelfde periode met behulp van dezelfde bedrijven. Deze gelijkheid wordt vrij uitputtend geïllustreerd in het uitgebreide Strafbefehl dat als bijlage aan de pleitnota d.d. 3 en 4 december 2014 is gehecht.
Strafbefehlvan 1 september 2014 dat is gehecht aan de in eerste aanleg voorgedragen pleitaantekeningen. Dit in het Nederlands vertaalde strafbevel houdt voor zover relevant het volgende in:
geboren op [geboortedatum] -1944 in [geboorteplaats] , geboortenaam [verdachte] , gehuwd, Nederlands onderdaan,
) die zelf geen inkomsten genereerden, aan inlenende bedrijven per telefax uitzendkrachten aangeboden, voor dumpingprijzen die voor het inlenende bedrijf onnavolgbaar waren en heeft die door het sluiten van bewust algemeen gehouden aannemingsovereenkomsten uitgezonden, waarbij u vanuit Nederland de feitelijke zakelijke leiding in handen had, zodat de opbrengsten van het illegaal uitzenden van werknemers u ten goede kwamen. De voor de diverse overeenkomsten als contactadres opgegeven vestigingen in Duitsland waren slechts domicilieadressen bij kantoorservicebedrijven. Alle contacten per telefoon en per fax werden naar Nederland doorgeleid, waar de feitelijke kantoorruimtes zich bevonden en van waaruit de zaken werden geleid.
terwijl u wist dat die voor het door u in de praktijk gebrachte uitzenden van werknemers vereist was. U heeft de werknemers bewust niet voor de sociale verzekeringen aangemeld, teneinde de betreffende premies sociale verzekeringen (voor de ziektekosten-, pensioen-, werkloosheids- en Pflegeversicherung[langdurige zorgverzekering]
) te besparen. Daarbij was het u eveneens bekend dat u tot afdracht van de betreffende premies verplicht was.
krijgt kracht van gewijsde en wordt voor tenuitvoerlegging vatbaar indien u niet binnen twee weken na betekening of kennisgeving bij het bovengenoemde Amtsgericht hetzij schriftelijk, hetzij door middel van het afleggen van een mondelinge verklaring ten overstaan van de griffie, verzet doet.”
Tagessatzhöhe”). [2] In die beslissing heeft het Amtsgericht Dresden die dagboete gematigd tot afgerond € 18,-. Het totaal van de dagboetes (300 x € 18,-) komt daarmee op € 5.400,-.
§ 266a Vorenthalten und Veruntreuen von Arbeitsentgelt StGB
-beginsel
hetzelfde feitals waarvoor de verdachte nadien wordt vervolgd. Wat in dit verband onder ‘hetzelfde feit’ wordt verstaan, heeft de Hoge Raad verduidelijkt in het overzichtsarrest van 1 februari 2011, E:BM9102. [4] De identiteit van een ‘feit’ wordt in beginsel bepaald door de inhoud van de (al dan niet gewijzigde) tenlastelegging. Met andere woorden, de identiteit van het feit hangt af van het verwijt dat in de tenlastelegging is omschreven. Of twee feiten ‘hetzelfde’ verwijt betreffen, vergt dus een vergelijking van de tenlastelegging in de lopende strafvervolging met de tenlastelegging in de reeds onherroepelijk besliste zaak. [5] Die vergelijking vindt plaats aan de hand van twee factoren: (A) juridisch: de aard van de feiten en (B) feitelijk: de gedraging van de verdachte. De vraag naar de (eenheid van) tijd en plaats van de gedraging van de verdachte (factor B) spreekt meer voor zich. Maar ook de relevantie van factor A vloeit voort uit het karakter van het rechtsgoed dat artikel 68 Sr Pro beoogt te beschermen. Denk bijvoorbeeld aan het geval waarin de verdachte onherroepelijk is veroordeeld voor het verkopen en verstrekken van cocaïne aan een tiental junks. Pas later komt vast te staan dat de verdachte één van hen met opzet bijna pure cocaïne heeft verstrekt opdat die (daarvan onwetende) man aan een overdosis komt te overlijden, hetgeen geschiedde. Kan de verdachte zich met succes tegen de vervolging voor moord verweren met de stelling dat hij al is veroordeeld voor het opzettelijk verstrekken van de cocaïne aan het slachtoffer?
uiteenlopen” terwijl uit het door de Hoge Raad geformuleerde kader blijkt dat die belangen “
wezenlijk” of “
aanzienlijk” uiteen moeten lopen. In de tweede plaats heeft het hof te weinig gewicht toegekend aan de feitelijke gedragingen van de verdachte en zodoende ten onrechte één van de beoordelingsfactoren niet in ogenschouw genomen, aldus de steller van het middel.
Daarnaastwijst het hof op de verschillen tussen de rechtsbelangen die door de Duitse en Nederlandse delictsomschrijvingen worden beschermd. Op grond van die – weliswaar betrekkelijk spaarzame – motivering komt het hof uiteindelijk tot het oordeel dat de feiten waarvoor de verdachte in Nederland is vervolgd, niet kunnen worden aangemerkt als dezelfde feiten als waarvoor hij in Duitsland is veroordeeld.
de vennootschappen (…) er daarbij bewust op [waren] gericht de ware omstandigheden zo ondoorzichtig mogelijk te maken”en dat “
de afrekening (…) meestal [gebeurde] in contanten om de omvang van de zakelijke activiteiten te versluieren.” Deze ‘omstandigheden waaronder de delicten zijn begaan’ waren er – naar het kennelijke oordeel van de Duitse rechter – op gericht om het
misdrijfzelf aan het zicht te onttrekken. Dat is, zo merk ik op, iets anders dan het verhullen van de
opbrengstvan het misdrijf wat vereist is om een gedraging als witwassen te kunnen aanmerken.
Vorenthalten und Veruntreuen von Arbeitsentgelt’ waarvoor de verdachte in Duitsland is veroordeeld. Hetgeen waarvoor de verdachte in Duitsland is veroordeeld (in de woorden van de verdediging: “
het langdurig samen met anderen frauderen”) is niet een-op-een gelijk te stellen met deelneming aan een criminele organisatie. [11] Deelneming aan een criminele organisatie houdt in dat de verdachte deel uitmaakt van een duurzaam en gestructureerd crimineel samenwerkingsverband dat het oogmerk heeft strafbare feiten te plegen en waarbij de gedraging dus veel meer dan bij medeplegen gericht is op het bijdragen aan dat samenwerkingsverband. Ook hier geldt dat overwegingen omtrent daarop toegespitste gedragingen in de beslissing van de Duitse rechter ontbreken. Overwegingen met betrekking tot ‘samenwerkingshandelingen’ beperken zich (slechts) tot medeplegen en omvatten geen handelingen die juist voor deelneming aan een criminele organisatie zo kenmerkend zijn.
tweede middelspitst zich toe op de vervolging en veroordeling voor feit 3 (deelneming aan een criminele organisatie) en betreft nogmaals de klacht dat het hof het OM – vanwege die eerdere veroordeling: ten onrechte – ontvankelijk heeft geacht. Nu wordt aan die klacht ten grondslag gelegd dat hierdoor de beginselen van een behoorlijke procesorde zijn geschonden.
Strafbefehl. Het betreft:
6.3. Bij de beoordeling van het middel dient te worden vooropgesteld dat het openbaar ministerie ingevolge het bepaalde in het eerste lid van art. 68 Sr Pro slechts dan niet-ontvankelijk is in zijn vervolging, indien het de verdachte vervolgt ter zake van een feit of feiten waarover te zijnen aanzien bij gewijsde van een rechter in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba reeds onherroepelijk is beslist. Van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie is op grond van beginselen van een behoorlijke procesorde echter eveneens sprake indien de officier van justitie alvorens over een eerdere dagvaarding door de rechter onherroepelijk is beslist, een tweede dagvaarding of kennisgeving van verdere vervolging uitbrengt ter zake van hetzelfde feit — in de zin van art. 68 Sr Pro — als in die eerdere dagvaarding was telastegelegd.
[I] en [J] GmbH
Een fax d.d. 30-03-2006 van [I] aan [Y] .
het in Duitsland zonder vergunning uitlenen en/of tewerkstellen van één of meer perso(o)n(en) met een andere dan de Duitse nationaliteit”), heeft de Nederlandse rechter het bewijs van deelneming aan een criminele organisatie klaarblijkelijk
medeaangenomen op grond van bepaalde concrete gedragingen van de verdachte, terwijl deze gedragingen ook zijn opgenomen in de eerste tenlastelegging van een feit, in dit geval het Duitse misdrijf § 266a StGB (
Vorenthalten und Veruntreuen von Arbeitsentgelt).
het (mede)plegen van sociale verzekeringsfraude en/of belastingfraude, bestaande uit het niet afdragen van sociale verzekeringspremies en/of belastingen in Nederland en/of Duitsland”, is de op artikel 140 Sr Pro toegesneden tenlastelegging en met name de daarin bedoelde deelneming van de verdachte aan de organisatie aldus omschreven dat deze volgens de bewijsvoering mede heeft bestaan uit het begaan van concrete misdrijven die eerder in een vervolging ingevolge artikel § 266a StGB in Duitsland afzonderlijk zijn tenlastegelegd en waarvoor de verdachte aldaar blijkens het strafbevel is veroordeeld.
derde middelklaagt dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden.