ECLI:NL:PHR:2021:1267

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
21 december 2021
Publicatiedatum
11 februari 2022
Zaaknummer
20/01136
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 435 lid 1 SvArt. 437 lid 2 SvArt. 511h Sv
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens niet-indienen middelen

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft betrokkene bij arrest van 12 maart 2020 verplicht tot betaling van €108.070,14 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Betrokkene stelde beroep in cassatie in, waarbij de aanzegging van het cassatieberoep op 24 maart 2021 werd betekend.

Namens betrokkene werd door mr. G. Spong aangegeven dat geen middelen van cassatie zouden worden ingediend. Binnen de wettelijke termijn, zoals gesteld in artikel 437 lid 2 Sv Pro in verbinding met artikel 511h Sv, werd geen schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend.

Hierdoor is niet voldaan aan het voorschrift voor ontvankelijkheid in cassatie, waardoor de Hoge Raad betrokkene niet-ontvankelijk verklaart in het cassatieberoep. De conclusie van de procureur-generaal strekt tot niet-ontvankelijkverklaring.

Uitkomst: Het cassatieberoep van betrokkene wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet indienen van middelen binnen de wettelijke termijn.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer20/01136 P
Zitting21 december 2021
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[betrokkene],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,
hierna: de betrokkene.

1.Het cassatieberoep

1.1.
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 12 maart 2020 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van een bedrag van € 108.070,14 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
1.2.
Er bestaat samenhang met de zaken 20/01131 en 20/01134. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
1.3.
Namens de betrokkene is beroep in cassatie ingesteld. De aanzegging als bedoeld in art. 435 lid 1 Sv Pro is op 24 maart 2021 betekend. Namens de betrokkene is geen schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend.

2.De beoordeling

2.1.
Mr. G. Spong, die zich bij brief van 26 maart 2020 als raadsman van de betrokkene heeft gesteld, heeft bij brief van 30 april 2021 aan de Hoge Raad bericht dat geen middelen van cassatie zullen worden ingediend. Er is gedurende de in art. 437 lid 2 Sv Pro in verbinding met art. 511h Sv gestelde termijn geen schriftuur houdende middelen van cassatie binnengekomen.
2.2.
Nu de betrokkene niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437 lid 2 Sv Pro in verbinding met art. 511h Sv, zodat de betrokkene in het beroep niet kan worden ontvangen.
2.3.
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene in het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv-AG