ECLI:NL:PHR:2021:1248
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in cassatieberoepen wegens ontbreken advocaatsondertekening
In deze zaak heeft verzoeker tot cassatie beroep in cassatie ingesteld tegen uitspraken van het Gerechtshof Amsterdam betreffende het gezag en omgangsrecht over minderjarige kinderen en tegen de niet-ontvankelijkverklaring van zijn hoger beroep door het hof. Beide verzoekschriften tot cassatie zijn echter niet ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad, zoals voorgeschreven in artikel 426a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
De Hoge Raad wijst erop dat het verzuim om een advocaatsondertekening te plaatsen kan worden hersteld door binnen twee weken na ontvangst van het verzoekschrift een nieuw verzoekschrift in te dienen dat wel door een advocaat is ondertekend. Verzoeker heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt. Hierdoor dient hij in beide cassatieberoepen niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Verzoeker heeft aangegeven dat een cassatieadvocaat een negatief advies heeft uitgebracht en dat een verzoek om een andere advocaat toe te wijzen is afgewezen door de Orde van Advocaten, waartegen beroep is ingesteld bij het Hof van Discipline. Dit beklag is echter ongegrond verklaard. De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad is dan ook dat verzoeker niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
Uitkomst: Verzoeker tot cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een advocaatsondertekening in zijn cassatieberoepen.