ECLI:NL:PHR:2021:1248

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
3 december 2021
Publicatiedatum
4 januari 2022
Zaaknummer
20/04034
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 426a RvEuropees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in cassatieberoepen wegens ontbreken advocaatsondertekening

In deze zaak heeft verzoeker tot cassatie beroep in cassatie ingesteld tegen uitspraken van het Gerechtshof Amsterdam betreffende het gezag en omgangsrecht over minderjarige kinderen en tegen de niet-ontvankelijkverklaring van zijn hoger beroep door het hof. Beide verzoekschriften tot cassatie zijn echter niet ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad, zoals voorgeschreven in artikel 426a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

De Hoge Raad wijst erop dat het verzuim om een advocaatsondertekening te plaatsen kan worden hersteld door binnen twee weken na ontvangst van het verzoekschrift een nieuw verzoekschrift in te dienen dat wel door een advocaat is ondertekend. Verzoeker heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt. Hierdoor dient hij in beide cassatieberoepen niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Verzoeker heeft aangegeven dat een cassatieadvocaat een negatief advies heeft uitgebracht en dat een verzoek om een andere advocaat toe te wijzen is afgewezen door de Orde van Advocaten, waartegen beroep is ingesteld bij het Hof van Discipline. Dit beklag is echter ongegrond verklaard. De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad is dan ook dat verzoeker niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Uitkomst: Verzoeker tot cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een advocaatsondertekening in zijn cassatieberoepen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer20/04030 en 20/04034

Zitting3 december 2021
CONCLUSIE
M.H. Wissink
In de zaak
[de man]
tegen
[de vrouw]
1. In de zaak met nummer 20/04030 heeft verzoeker tot cassatie bij brief van 14 november 2020, door de Hoge Raad ontvangen op 17 november 2020, beroep in cassatie ingesteld tegen de beschikking van het Gerechtshof Amsterdam van 18 augustus 2020 (zaaknummer: nr. 200.271.479/01,02 en 03). Hierin heeft het hof, kort gezegd, de beschikking van de rechtbank bekrachtigd waarin verweerster in cassatie is belast met het eenhoofdig gezag over de minderjarige kinderen van haar en van verzoeker tot cassatie en aan deze laatste de omgang met deze kinderen ontzegd.
2. In de zaak met nummer 20/04034 heeft verzoeker tot cassatie bij brief van 16 november 2020, door de Hoge Raad ontvangen op 17 november 2020, beroep in cassatie ingesteld tegen de beschikking van het Gerechtshof Amsterdam van 18 augustus 2020 (zaaknummer 200.258.629.01), waarin hij door het hof niet-ontvankelijk is verklaard in zijn hoger beroep tegen twee beschikkingen van de rechtbank Noord-Holland.
3. Beide verzoekschriften tot cassatie zijn ingediend door verzoeker zelf en zijn niet, zoals vereist door artikel 426a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad. Het verzuim om artikel 426a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in acht te nemen, kan volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad worden hersteld door hetzelfde verzoekschrift binnen twee weken na binnenkomst ter griffie van de Hoge Raad opnieuw in te dienen, maar nu ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad. [1] Van deze mogelijkheid, waarop verzoeker tot cassatie door de griffie van de Hoge Raad is gewezen, is geen gebruik gemaakt. Dit brengt mee dat verzoeker in beide cassatieberoepen niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
4. In de verzoekschriften wordt vermeld dat door een cassatieadvocaat een negatief cassatieadvies is uitgebracht, dat de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag een verzoek om een andere cassatieadvocaat toe te wijzen voor een second opinion heeft afgewezen en dat tegen die afwijzing beroep is ingesteld bij het Hof van Discipline. Inmiddels heeft de griffie van de Hoge Raad van het Hof van Discipline vernomen dat het Hof het beklag ongegrond heeft verklaard.

Conclusie

De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker tot cassatie in zijn cassatieberoepen.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Plv.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de beschikking van de Hoge Raad van 24 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:804. In de aan die uitspraak voorafgaande conclusie van de plaatsvervangend procureur-generaal Langemeijer (te vinden op