Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:PHR:2021:1235

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
24 december 2021
Publicatiedatum
24 december 2021
Zaaknummer
21/04877
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 407 lid 3 RvArt. 78 lid 1 Wet ROArt. 1:3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens ontbreken advocaat bij Hoge Raad

Op 4 mei 2021 sprak het gerechtshof Den Haag een arrest uit in een civiele zaak tussen verzoeker en de provincie Zuid-Holland. Verzoeker diende op 3 augustus 2021 een concept procesinleiding in, maar gaf aan geen advocaat bij de Hoge Raad te hebben gevonden om de procesinleiding in te dienen. De griffie van de Hoge Raad gaf verzoeker de mogelijkheid om binnen veertien dagen alsnog een advocaat aan te wijzen, maar dit is niet gebeurd.

Op 22 september 2021 stelde een niet-advocaat namens verzoeker een cassatieberoep in, gericht aan de verkeerde kamer van de Hoge Raad. De griffie corrigeerde dit en wees op het vereiste van verplichte procesvertegenwoordiging door een advocaat bij de Hoge Raad in civiele zaken. Ondanks meerdere waarschuwingen en correspondentie werd het gebrek niet hersteld.

De Procureur-Generaal concludeerde daarom tot niet-ontvankelijkheid van verzoeker in het cassatieberoep. De Hoge Raad bevestigde dat het ontbreken van een advocaat bij de Hoge Raad in civiele cassatiezaken leidt tot niet-ontvankelijkheid, ook als de zaak tegen een overheidslichaam is aangespannen. Het cassatieberoep werd derhalve niet-ontvankelijk verklaard.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een advocaat bij de Hoge Raad en het niet herstellen van dit verzuim binnen de gestelde termijn.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 21/04877

Zitting24 december 2021
CONCLUSIE
T. Hartlief
In de zaak
1.
[verzoeker 1]
2.
[verzoekster 2]
(hierna gezamenlijk: ‘ [verzoekers] ’)
tegen
provincie Zuid-Holland
1. Op 4 mei 2021 heeft het gerechtshof Den Haag tussen partijen een arrest uitgesproken (hierna: ‘het bestreden arrest’). [1]
2. [verzoeker 1] heeft bij e-mail van 3 augustus 2021 een concept procesinleiding aan de civiele griffie van de Hoge Raad gezonden. In de e-mail vermeldt [verzoeker 1] dat hij geen uitsluitsel heeft gekregen van de door hem aangezochte advocaat bij de Hoge Raad over de vraag of deze (naar ik begrijp: uiterlijk op 4 augustus 2021) de procesinleiding zal indienen. In de e-mail wordt verder vermeld dat [verzoeker 1] wil bereiken dat hij veertien dagen de tijd krijgt om alsnog een advocaat bij de Hoge Raad bereid te vinden de procesinleiding in te dienen.
3. De civiele griffie van de Hoge Raad heeft bij brief van 5 augustus 2021 aan [verzoeker 1] bericht dat – verkort weergegeven – het cassatieberoep niet is ingesteld op de door de wet voorgeschreven wijze en dat de gebreken kunnen worden hersteld “
doordat dezelfde procesinleiding (het cassatieverzoek) met inachtneming van de wettelijke vereisten alsnog binnen twee weken na ontvangst van uw verzoek tot cassatie door de griffie (op 3 augustus 2021), door een advocaat bij de Hoge Raad via het webportaal van de Hoge Raad wordt ingediend(…)
.” Dat laatste is niet gebeurd.
4. Bij beroepschrift van 22 september 2021 heeft [betrokkene 1] , die geen advocaat is, namens [verzoekers] cassatieberoep ingesteld tegen het bestreden arrest. Het beroepschrift is gericht aan de belastingkamer van Uw Raad en aangeduid als een “
beroep in cassatie in bestuursrecht”.
5. De fiscale griffie van de Hoge Raad heeft bij brief van 26 oktober 2021 onder meer het volgende aan [betrokkene 1] bericht:
“U heeft een beroepschrift in cassatie met bijlagen ingezonden ter attentie van “de Afdeling Fiscaal Recht / Belasting” van de Hoge Raad der Nederlanden. Het eerste blad van deze stukken is voorzien [van] het opschrift “beroep in cassatie in bestuursrecht”. Ik moet u meedelen dat het betreffende stuk met bijlagen niet bij de Belastingkamer van de Hoge Raad had moeten worden ingediend, maar bij de Civiele Kamer van de Hoge Raad. Uit de inhoud van door u ingezonden stukken blijkt namelijk dat het beroep in cassatie -onder andere- is gericht tegen de uitspraak van de Civiele Kamer van het Gerechtshof Den Haag van 4 mei 2021, zaaknummer 200.274.314/01. Tegen een dergelijke uitspraak van een civiele rechter kan in beginsel alleen bij de Civiele Kamer van de Hoge Raad beroep in cassatie worden ingesteld. Daarvoor geldt overigens verplichte procesvertegenwoordiging in de hoedanigheid van een cassatie-advocaat.
(…). Ik heb de door u ingezonden stukken thans doorgeleid naar de griffier van de Civiele Kamer van de Hoge Raad met het verzoek de behandeling in dezen over te nemen. U zult op korte termijn nader vernemen. Ik hoop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.”
6. Bij brief van 5 november 2021 heeft de civiele griffie van de Hoge Raad vervolgens onder meer het volgende aan [betrokkene 1] bericht:
“(…) Onder verwijzing naar mijn brief van 5 augustus 2021, de brief van de civiele griffie van 31 augustus 2021 en de brief van de griffier van de belastingkamer van 26 oktober 2021 bericht ik u hierbij dat de civiele griffie graag binnen twee weken (uiterlijk op 19 november 2021) verneemt of u uw verzoek tot cassatie wilt doorzetten of wilt intrekken?
(…)
Het instellen van cassatieberoep in een civielrechtelijke zaak kan alleen door tussenkomst van een cassatieadvocaat plaatsvinden. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad wordt de partij die zonder cassatieadvocaat cassatieberoep instelt in een civiele zaak, niet-ontvankelijk verklaard.”
7. Het cassatieberoep is niet ingetrokken.
8. Door [verzoekers] wordt in het beroepschrift betoogd dat het door hen ingestelde cassatieberoep moet worden aangemerkt als een “
beroep in cassatie in bestuursrecht”, waaruit dan zou moeten worden afgeleid dat bij het instellen van een dergelijk cassatieberoep geen tussenkomst van een advocaat bij de Hoge Raad is vereist.
9. Dit betoog gaat niet op. In art. 78 lid 1 Wet Pro RO is bepaald dat de Hoge Raad kennis neemt van het beroep in cassatie tegen (onder meer) arresten van de gerechtshoven. Deze bepaling is niet beperkt tot burgerlijke zaken. Boek 1, titel 11 Rv bevat voorschriften voor (onder meer) het cassatieberoep tegen arresten van gerechtshoven in burgerlijke zaken. In art. 407 lid 3 Rv Pro is voor wat betreft vorderingsprocedures bepaald dat eiser is gehouden in de procesinleiding een advocaat bij de Hoge Raad aan te wijzen, die hem in het geding zal vertegenwoordigen. Volgens vaste rechtspraak van Uw Raad leidt schending van dat voorschrift, indien geen herstel plaatsvindt, tot niet-ontvankelijkheid van eiser tot cassatie in zijn beroep. [2]
10. Dat de rechtbank en het hof hier als burgerlijke rechter hebben geoordeeld over een burgerlijke zaak en dat het geen bestuursrechtelijke zaak betreft, kan niet in redelijkheid worden betwijfeld. Ik zal daaraan dan ook niet al te veel woorden vuil maken, al was het maar omdat [verzoekers] hun andersluidende betoog niet nader hebben toegelicht. [verzoekers] hebben zich in feitelijke instanties, waar zij door middel van een dagvaarding een zaak aanhangig hebben gemaakt, kort gezegd beroepen op een databankenrecht. Met een besluit van een bestuursorgaan als bedoeld in art. 1:3 Awb Pro heeft dat databankenrecht niets van doen, zodat zich geen bestuursrechtelijke rechtsgang aandient. Dat de vorderingen zijn ingesteld tegen een overheidslichaam, de provincie Zuid-Holland, maakt dat niet anders. De zaak is dan ook zowel in eerste aanleg als in hoger beroep (terecht) behandeld door een kamer van de civiele afdeling.
11. [verzoekers] konden dus alleen met inachtneming van art. 407 lid 3 Rv Pro cassatieberoep instellen tegen het bestreden arrest en uit het voorgaande volgt dat – ook nadat gelegenheid tot herstel is gegeven – niet aan dat voorschrift is voldaan. [3] Vanuit de organisatie van de Hoge Raad is het nodige gedaan om de zaak in goede banen te leiden. Uit de correspondentie is af te leiden dat de griffie van de Hoge Raad [verzoekers] heeft aangeraden hun procesinleiding voor het verlopen van de cassatietermijn toe te zenden, zodat de gelegenheid zou bestaan om de zaak binnen veertien dagen alsnog door een advocaat bij de Hoge Raad aanhangig te laten maken. Dat laatste is dus niet gebeurd.
12. [verzoekers] dienen niet-ontvankelijk te worden verklaard in hun cassatieberoep.

Conclusie

De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkheid van [verzoekers] in hun cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Hof Den Haag 4 mei 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:1370.
2.Zie onder meer HR 16 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2878,
3.Daarbij laat ik in het midden of het cassatieberoep als gevolg van de e-mail van 3 augustus 2021 tijdig is ingesteld.