Conclusie
Nummer19/01939 J
Het cassatieberoep
De zaak
social mediatussen de aangeefster [benadeelde] en de medeverdachte [medeverdachte ] . De aangeefster heeft de medeverdachte uitgedaagd om elkaar op het metrostation te treffen. De medeverdachte heeft deze uitdaging aanvaard en is samen met haar tweelingzus [betrokkene 1] en de verdachte naar de metrohalte gegaan om daar te vechten. De verdachte zou, indien nodig, aan het gevecht deelnemen. De verdachte had vernomen dat de aangeefster een mes zou meenemen. [betrokkene 1] had onderweg een mes opgehaald, dat eveneens naar het metrostation werd meegenomen. Op het metrostation kwam het vrijwel direct tot een gevecht, waarbij de aangeefster drie keer is gestoken. De aangeefster is in de borst, buik en heup gestoken. Het hof heeft vastgesteld dat zowel de verdachte als [betrokkene 1] met het mes hebben gestoken. Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van poging tot doodslag en openlijk in vereniging geweld plegen, met lichamelijk letsel als gevolg.
De middelen
eerste middelbevat de klacht dat het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte en haar mededaders het slachtoffer met een mes in de borst, buik en heup hebben gestoken, waarbij het hof is afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging, inhoudende dat de verdachte niet heeft gestoken, zonder dat het hof in het bijzonder de redenen heeft opgegeven die tot de afwijking van dit standpunt hebben geleid.
…) voor waarin, naar het lijkt, gesproken wordt over messen. Er waren daar geen messen. Dat ik gezegd heb dat ik heb gestoken, is grootspraak geweest. Ik weet niet waarom ik dat heb gezegd. Alles is zo snel gegaan en niemand heeft echt gezien wat er gebeurde. Het klopt ook niet dat ik mijn verhaal heb veranderd. Ik heb vanaf het begin consistent verklaard. U houdt mij het OVC gesprek voor zoals weergegeven op pagina 230 van het dossier. Ik volg het niet meer. Ik heb al twee keer verklaard dat wat uit de OVC gesprekken naar voren komt, grootspraak is geweest.”
het hof begrijpt: [medeverdachte ]) gestuurd: “16:00 uur Postjesweg”. Zij stuurde gelijk terug: “Ik ben er”. Vervolgens ben ik met samen met [betrokkene 6] , [betrokkene 7] , [betrokkene 8] , [betrokkene 9] en [betrokkene 10] naar de metrohalte van de Postjesweg gegaan. Toen wij aan kwamen lopen, zag ik [medeverdachte ] al staan. Zij was samen met [betrokkene 1] (haar tweelingzus), een klein meisje (
het hof begrijpt: de verdachte), [betrokkene 11] en een jongen uit de buurt. Mijn tante [betrokkene 5] liep in snelle pas vooruit. [medeverdachte ] rende richting [betrokkene 5] . Ik zag dat ze [betrokkene 5] wilde slaan, maar ik was [medeverdachte ] voor en trok/sloeg haar omlaag. [medeverdachte ] probeerde mij toen te slaan maar ik pakte haar bij haar trui vast en slingerde haar op de grond. Tegelijkertijd was volgens mij het kleine meisje mij aan het slaan, maar ik was alleen maar gefocust op [medeverdachte ] . Ik weet niet wat er daarna precies gebeurde, maar ik voelde een stoot in mijn onderbuik. Daarna hielden mensen ons uit elkaar. Ik voelde pijn aan mijn linkerborst en vlak boven mijn onderbroek. Ik zag dat ik bloedde en besefte gelijk dat ik was gestoken.
het hof begrijpt: de verdachte) stond achter haar. Ik zag vanuit mijn ooghoek dat [betrokkene 1] iets vast had, maar niet wat. Ik zag ook dat zij in mijn richting steek-bewegingen maakte. Vlak erna voelde ik pijn in mijn onderbuik. Gelijk erna werden we uit elkaar gehaald. Ik zag direct dat ik gestoken was en keek naar [betrokkene 1] . Ik zag dat zij het mes vasthield en zij rende naar boven samen met het kleine meisje en [medeverdachte ] .
je weet niet hoe [betrokkene 1] aan dat mes is gekomen? Toen zei ze: Nee ik vroeg haar wel hoe kwam je eigenlijk aan dat mes.Toen zei ze:
het was via een jongen, via snap ofzo.Terwijl zij precies weet van wie.
hebben jullie nog dingen met elkaar afgesproken toen jullie daar heen gaan? Nee, [medeverdachte ] vroeg nog wel of we gingen vechten en ik zei dat we daar heen gingen om te praten.Terwijl [medeverdachte ] zei: we gaan gewoon praten, toen zei zij (
het hof begrijpt [medeverdachte ]) toch:
Nee we gaan matten.
het hof begrijpt telkens: de aangeefster [benadeelde]) een mes zou meenemen en wij hadden daarom ook een mes meegenomen. We wachtten op het moment dat [benadeelde] en haar vriendinnen ons begonnen aan te vallen. [verdachte] zou vechten met degene die er daarna nog bij zou komen. Ik wist dit omdat ze dat heeft gezegd nog voordat [benadeelde] op ons af kwam gelopen. Ze zei dat we gewoon één op één moesten vechten en als het nodig is zou zij bijspringen.
Jij hebt vanmorgen verklaard dat [verdachte] jou apart heeft genomen en op de telefoon heeft laten zien dat een vriend van haar een mes aanbood vanwege de ruzie met [benadeelde] . Jij hebt ook verklaard dat [verdachte] wist dat [benadeelde] messen zou meenemen en dat [verdachte] toen gezegd heeft dat zij ook een mes wilde meenemen. Vervolgens ben jij met [verdachte] naar die bewuste vriend toegegaan. Vervolgens zijn jullie naar de De Vlugtlaan gegaan.
Bewijsoverweging
( [betrokkene 1] ) Ik heb d’r hier gestoken ...bij d’r hart. (verdachte): ik heb d’r hier gestoken,en
(verdachte:) jij zegt gewoon eerlijk tegen je advocaat dat je gestoken hebt toch? Ja ik ook.Dat de verdachte dit enkel zou hebben gezegd ‘uit grootspraak’, acht het hof niet aannemelijk.
tweede middelbevat de klacht dat het hof het onderzoek ter terechtzitting van 1 april 2019 in strijd met art. 496 en Pro 496a Sv niet heeft aangehouden, terwijl de vader van de verdachte niet was verschenen, en het hof niet ambtshalve heeft vastgesteld dat sprake was van een van de in art. 496a, derde lid, Sv vermelde omstandigheden op grond waarvan het hof had mogen bevelen dat het onderzoek niet werd aangehouden.
Geen cassatie
Het wettelijk kader
Artikel 6.1.33 [496]