ECLI:NL:PHR:2020:896

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
6 oktober 2020
Publicatiedatum
5 oktober 2020
Zaaknummer
19/02969
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 6:4:20 SvArt. 80a ROArt. 7 EVRMArt. 15.1 IVBPR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vervangende hechtenis bij schadevergoedingsmaatregel moet worden omgezet in gijzeling

De zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte die door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is veroordeeld wegens diefstal met gebruik van een valse sleutel en aan wie een schadevergoedingsmaatregel is opgelegd met vervangende hechtenis als dwangmiddel bij niet-betaling.

De Procureur-Generaal bespreekt twee middelen van cassatie: het eerste middel betrof een bewijsklacht over de plaats van het delict, welke als kansloos werd beoordeeld. Het tweede middel richt zich op de toepassing van vervangende hechtenis bij de schadevergoedingsmaatregel, waarbij wordt verwezen naar een eerder arrest van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2020:914) dat bepaalt dat vervangende hechtenis niet langer mag worden toegepast en in plaats daarvan gijzeling moet worden opgelegd.

De conclusie is dat het eerste middel faalt maar het tweede middel slaagt, en dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak moet vernietigen voor zover vervangende hechtenis is toegepast bij de schadevergoedingsmaatregel. De Procureur-Generaal benadrukt dat dit arrest ook een overgangsregeling betreft en dat de rechter het nieuwe dwangmiddel met onmiddellijke ingang moet toepassen als dit in het voordeel van de verdachte is.

Er wordt tevens ingegaan op de interne selectieprocedure van de Hoge Raad voor toepassing van artikel 80a RO en de omstandigheden waaronder een zaak uit deze procedure wordt gehaald om een conclusie van de A-G te laten volgen. De conclusie sluit aan bij eerdere jurisprudentie en benadrukt de noodzaak van een correcte toepassing van het nieuwe recht.

Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd voor zover vervangende hechtenis is toegepast en gijzeling wordt als passend dwangmiddel opgelegd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer19/02969
Zitting6 oktober 2020
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961,
hierna: de verdachte.

1.Het cassatieberoep

1.1.
De verdachte is bij arrest van 11 juni 2019 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, wegens “diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, meermalen gepleegd.”, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met een proeftijd van twee jaren, een taakstraf voor de duur van 180 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 90 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest zoals door het hof in het arrest nader bepaald. Daarnaast is aan de verdachte ten behoeve van het slachtoffer een schadevergoedingsmaatregel opgelegd voor een bedrag van € 33.750,00 als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 203 dagen hechtenis.
1.2.
Er bestaat samenhang met de zaak 19/02968. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. R. van Leusden, advocaat te Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel bevat een bewijsklacht, die er kort samengevat op neer komt dat uit de bewijsoverwegingen niet kan volgen dat de verdachte zich ‘in Almere’, de plaats waar de bank gevestigd was, heeft schuldig gemaakt aan diefstal door middel van een valse sleutel terwijl het hof heeft vastgesteld dat de verdachte vanuit huis (Hilversum) via internetbankieren met de pinpas van een bankrekening van het slachtoffer, een dementerende man waarvoor verdachte werkte als persoonlijk begeleider, geld op haar rekening heeft overgemaakt.
Het tweede middel doet een beroep op het arrest van de Hoge Raad van 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914, waarin de Hoge Raad kort gezegd heeft beslist dat op grond van het
lex mitior-beginsel [1] het per 1 januari 2020 in werking getreden art. 6:4:20 Sv Pro onmiddellijk door de rechter diende te worden toegepast, zodat de rechter met ingang van 1 januari 2020 niet langer de mogelijk heeft om vervangende hechtenis te verbinden aan een schadevergoedingsmaatregel en dat in plaats daarvan de rechter het dwangmiddel van gijzeling kan opleggen.
2.
Implicaties arrest Hoge Raad 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914 en toepassing art. 80a RO.
2.1.
De onderhavige zaak is door het selectieteam van het Wetenschappelijk Bureau van de Hoge Raad aanvankelijk geselecteerd voor toepassing van art. 80a RO. Zoals bekend [2] is de (interne) procedure in een dergelijk geval dat een A-G beoordeelt of het wenselijk is dat in de door het selectieteam geselecteerde zaak toch een conclusie wordt genomen en beslist de Hoge Raad vervolgens eigenstandig of het cassatieberoep versneld, en dus zonder conclusie van een A-G, op de voet van art. 80a RO kan worden afgedaan. In beide fasen van deze (interne) procedure kan een zaak zowel door de A-G als door de Hoge Raad, zoals dat op de werkvloer heet: “uit de 80a-selectie worden gehaald” waarop de normale cassatieprocedure wordt gevolgd waarbij de A-G een conclusie neemt en de Hoge Raad op het cassatieberoep beslist. Dat betekent overigens nog niet dat het cassatieberoep uiteindelijk niet zou kunnen eindigen met een niet-ontvankelijkverklaring ex art. 80a RO. Zowel de A-G als de Hoge Raad kunnen daartoe alsnog respectievelijk concluderen en/of besluiten. [3]
2.2.
In de onderhavige zaak was het advies van het selectieteam, om het cassatieberoep met gebruikmaking van art. 80a RO af te doen, gebaseerd op de omstandigheid dat het eerste voorgestelde middel klaarblijkelijk niet tot cassatie kan leiden waardoor het tweede middel waarin een beroep wordt gedaan op het arrest van de Hoge Raad HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914 geen bespreking meer zou behoeven. Hier lijkt te worden aangesloten bij het uitgangspunt dat de Hoge Raad ten aanzien van de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase hanteert, namelijk dat een cassatieberoep met art. 80a RO wordt afgedaan indien dat enkel ertoe strekt te klagen dat als gevolg van het instellen van het cassatieberoep na de bestreden uitspraak de redelijke termijn in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden, en dat dit niet anders is indien naast de klacht betreffende de redelijke termijn slechts klachten zijn voorgesteld die aan toepassing van art. 80a RO niet in de weg staan. [4]
2.3.
De redenering van het selectieteam was ontleend aan de laatste zin van de navolgende overweging van de Hoge Raad in zijn arrest van 26 mei 2020, waarin de Hoge Raad toelicht in welke gevallen hij nog ambtshalve gebruik zal maken een bestreden beslissing te vernietigen. Deze luidt als volgt:
“4.6 Na publicatie van dit arrest moet voor de advocatuur echter voldoende duidelijk zijn dat in voorkomende gevallen in cassatie met vrucht erover kan worden geklaagd dat, in plaats van de oplegging van vervangende hechtenis, gijzeling had moeten worden toegepast. Daarom zal de Hoge Raad in zaken waarin de cassatieschriftuur na 26 juni 2020 is ingekomen geen gebruik meer maken van zijn bevoegdheid de bestreden beslissing ambtshalve te vernietigen op de hiervoor onder 4.4.2 aangeduide grond. Opmerking verdient dat de Hoge Raad van die bevoegdheid ook geen gebruik zal maken in zaken waarin het cassatieberoep met toepassing van artikel 80a RO niet-ontvankelijk is.”
2.4.
Ik heb onderhavige zaak “uit de 80a-selectie gehaald”, omdat mijns inziens de overweging van de Hoge Raad zo moet worden gelezen, dat als er in de cassatieschriftuur
nietis geklaagd dat aan de opgelegde schadevergoedingsmaatregel ten onrechte vervangende hechtenis is verbonden, de Hoge Raad geen gebruik maakt van zijn ambtshalve bevoegdheid tot vernietiging van de uitspraak indien het cassatieberoep voor het overige met toepassing van art. 80a niet ontvankelijk is.
2.5.
In onderhavige zaak bevat het tweede middel wel een dergelijke klacht, zodat ongeacht het antwoord op de vraag of het eerste middel evident kansloos is, de zaak, indien het tweede middel slaagt, niet kan worden afgedaan op de voet van art. 80a RO. Het gaat hier immers niet om een klacht die vergelijkbaar is met de klacht dat de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden maar om een inhoudelijke klacht dat het arrest van het hof niet juist is.
2.6.
Ik wil nog opmerken dat ik vandaag eveneens in een andere zaak 19/02965 zal concluderen, waarin de hiervoor onder 2.3. geciteerde overweging van de Hoge Raad betreffende de ambtshalve cassatie in relatie tot de toepassing van art. 80a RO ook aan de orde is. In mijn conclusie bij die zaak zal ik bepleiten dat een redelijke toepassing van de door de Hoge Raad in rov. 4.6. geformuleerde overgangsregel in het geval dat de cassatieschriftuur is ingediend vóór 26 juni 2020, met zich brengt dat de Hoge Raad
ook bij het ontbreken van een klachtover de toepassing van vervangende hechtenis bij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregelen, ambtshalve zal casseren, ook al geeft de cassatieklacht in de schriftuur aanleiding voor toepassing van art. 80a RO.

3.Bespreking van de middelen

3.1.
Over het
eerste middelzal ik kort zijn. Dit middel slaagt niet omdat het uitgaat van een te beperkte uitleg van het begrip pleegplaats, nu daaronder ook wordt verstaan de plaats waar het gevolg van de handeling zich openbaart. [5] De voorgestelde klacht is evident kansloos.
3.2.
Het
tweede middelklaagt over de vervangende hechtenis bij de opgelegde schadevergoedingsmaatregel.
3.3.
Het middel is, gelet op HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914 terecht voorgesteld. De Hoge Raad kan bepalen dat in plaats van vervangende hechtenis gijzeling van gelijke duur zal worden toegepast.

4.Conclusie

4.1.
Het eerste middel faalt, het tweede middel slaagt.
4.2.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel vervangende hechtenis is toegepast en dat de Hoge Raad bepaalt dat telkens gijzeling van gelijke duur zal worden toegepast.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Inhoudende dat een sinds het plegen van delict opgetreden verandering in de wet door rechter met onmiddellijke ingang moet worden toegepast, indien en voor zover die verandering ten gunste van de verdachte werkt en dat door wetgever geformuleerde bijzondere overgangsbepalingen zullen moeten passen binnen art. 7 EVRM Pro, art. 15.1. IVBPR en art. 49.1 EU-Handvest. In casu werd de in de Wet USB geformuleerde overgangsbepaling wegens strijd met deze verdragsbepalingen buiten toepassing gelaten.
2.Zie D. Bektesevic, Kijken in de keuken van de Hoge Raad. De toepassing van art. 80a RO in strafzaken, NJB 2018/301.
3.D. Bektesevic, Kijken in de keuken van de Hoge Raad. De toepassing van art. 80a RO in strafzaken, NJB 2018/301
4.HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0146, NJ 2013/241 m.nt. Bleichrodt, rov. 2.2.4. en HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005, NJ 2016/430, rov. 2.4.2
5.Zie mijn conclusie ECLI:NL:PHR:2019:1352 onder 2.8.1 en de in voetnoot 15 van deze conclusie genoemde jurisprudentie.