De zaak betreft een cassatieberoep tegen een verstekarrest van het gerechtshof Amsterdam, waarin de verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden wegens het opzettelijk gebruik van een niet op zijn naam gesteld reisdocument.
Het eerste middel klaagt dat het hof niet uitdrukkelijk en gemotiveerd heeft beslist op het verzoek tot uitstel van behandeling, gedaan door de raadsman voorafgaand aan de terechtzitting. Dit middel faalt omdat het hof uitdrukkelijk en gemotiveerd heeft beslist, conform de jurisprudentie.
Het tweede middel klaagt over de schending van de redelijke termijn na het wijzen van het verstekarrest. De Hoge Raad overweegt dat binnen een jaar na het verstekarrest een rechtsgeldige poging tot betekening aan de verdachte moet worden gedaan. Uit de stukken blijkt dat dit niet is gebeurd, noch binnen het eerste jaar, noch daarna. Dit leidt tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf.
De Hoge Raad vernietigt het arrest voor zover het de strafoplegging betreft en vermindert de straf op grond van de schending van de redelijke termijn. Het beroep wordt voor het overige verworpen.