ECLI:NL:HR:2014:3475

Hoge Raad

Datum uitspraak
2 december 2014
Publicatiedatum
2 december 2014
Zaaknummer
13/05280
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 366 SvArt. 588 SvArt. 81 RO
Verwijzingen
6 uitgaand · 13 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn bij verstekmededeling

De zaak betreft een cassatieberoep van de verdachte tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 26 oktober 2005. De Hoge Raad beoordeelt of de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro is overschreden bij de betekening van de verstekmededeling conform art. 366 Sv Pro.

De Hoge Raad herhaalt de criteria uit eerdere rechtspraak (ECLI:NL:HR:2008:BD2578) en stelt dat van overschrijding sprake is indien de verstekmededeling niet binnen een jaar na het arrest rechtsgeldig is betekend, of indien het Openbaar Ministerie niet de nodige voortvarendheid betracht heeft bij de betekening.

In deze zaak blijkt niet dat binnen een jaar na het arrest van het Hof een rechtsgeldige verstekmededeling is betekend. Dit leidt tot de conclusie dat de redelijke termijn is overschreden. Als gevolg daarvan vermindert de Hoge Raad de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf met twee maanden, van de oorspronkelijke duur naar een straf van een maand en twee weken.

Het beroep wordt voor het overige verworpen en de rest van de uitspraak blijft in stand. De beslissing is genomen door de strafkamer van de Hoge Raad op 2 december 2014.

Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd met twee maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn bij verstekmededeling.

Uitspraak

2 december 2014
Strafkamer
nr. S 13/05280
AGE/IF
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 26 oktober 2005, nummer 23/003844-05, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur en aanvullende schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schrifturen zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal A.J. Machielse heeft geconcludeerd vermindering van de opgelegde straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsvrouwe heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Beoordeling van het tweede middel

3.1.
Het middel klaagt dat na de uitspraak van 's Hofs bij verstek gewezen arrest van 26 oktober 2005 de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden.
3.2.
Van overschrijding van de redelijke termijn kan sprake zijn indien op grond van art. 366 Sv Pro een verstekmededeling dient te worden betekend en het openbaar ministerie bij die betekening niet de nodige voortvarendheid heeft betracht.
Van de hier bedoelde vertraging is in elk geval geen sprake:
a. Indien de verstekmededeling binnen een jaar na de uitspraak rechtsgeldig is betekend
1. hetzij aan de verdachte in persoon,
2. hetzij op de voet van het bepaalde in art. 588, tweede of derde lid, Sv. In de onder 2 bedoelde gevallen komt een na de betekening opgetreden vertraging immers voor rekening van de verdachte omdat er redelijkerwijs van kan worden uitgegaan dat hij door die betekening op de hoogte is geraakt van de uitspraak.
b. Indien de verstekmededeling binnen een jaar na de uitspraak rechtsgeldig is betekend door de in art. 588, eerste lid onder b sub 3, Sv voorziene uitreiking aan de griffier om reden dat de verdachte niet als ingezetene is ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens noch een feitelijke woon- of verblijfplaats van hem bekend is, èn indien tevens blijkt dat het openbaar ministerie vervolgens - naast de plaatsing van de verdachte in het opsporingsregister - tenminste eenmaal per jaar heeft getracht de verstekmededeling alsnog te betekenen hetzij aan de verdachte in persoon hetzij overeenkomstig het bepaalde in art. 588, tweede of derde lid, Sv (vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358, rov. 3.19).
3.3.
Het middel is gegrond nu niet blijkt dat binnen een jaar na de uitspraak van het Hof op de wijze als hiervoor bedoeld een verstekmededeling is betekend. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van twee maanden.

4.Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
vermindert deze in die zin dat deze een maand en twee weken beloopt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
2 december 2014.