Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
Datum aanvraag: 20 juni 2018
Naam donor: [verdachte]
Geboortedatum: [geboortedatum] 1975
TAAR8556NL Bloed van [verdachte]
TAAR8557NL Bloed van [verdachte] , bestemd voor eventueel tegenonderzoek
onderzochtdient te worden. De uitbesteding van het onderzoek van het bloedmonster door het NFI is evenmin in strijd met enig in het Besluit opgenomen voorschrift.
onderzocht, eveneens blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting nu in voornoemde Nota van Toelichting door de wetgever is opgenomen dat “redenen om naar een ander laboratorium uit te wijken [kunnen] de capaciteit van het NFI zijn of de snelheid waarmee het bloedonderzoek moet worden verricht.” Hieruit volgt volgens de steller van het middel dat de wetgever de wenselijkheid van een
snelbloedonderzoek voorop heeft gesteld, welke tijdsfactor ook tot uitdrukking komt in de mogelijkheid om in een dergelijk geval te kiezen voor het meest dichtbij het NFI gelegen laboratorium dat voldoet aan de in art. 14, tweede lid, Besluit gestelde eisen. Tot slot wordt benoemd dat voornoemd oordeel van het hof onbegrijpelijk is, omdat in zo’n geaccrediteerd laboratorium geen appeltaarten worden gebakken maar bloed wordt onderzocht.
Artikel 14
1 De opsporingsambtenaar formuleert de opdracht voor de onderzoeker die het bloedonderzoek verricht.
zonder verder uitsteldiende plaats te vinden. [8] Het Bloedproefbesluit en de Bloedproefbeschikking maakten in 1987 plaats voor het Besluit alcoholonderzoeken [9] en de daaraan gekoppelde Regeling bloed-en urineonderzoek [10] . Art. 5, eerste lid, van de Regeling hield een soortgelijke bepaling in als art. 6, eerste lid, Bloedproefbeschikking, met dien verstande dat niet expliciet werd gesproken over het met het onderzoek belaste laboratorium, maar over het Gerechtelijk Laboratorium. Deze bepaling is in de nadien geldende Regelingen bloed-en urineonderzoek [11] (onder vernummering van het artikel) enkel gewijzigd op het punt van de betreffende functionaris en het onderzoekslaboratorium (NFI). De “bezorging” door een politiefunctionaris bleef centraal staan, terwijl de betreffende bepaling in de jurisprudentie van de Hoge Raad steeds zo werd uitgelegd dat het afgenomen bloedmonster (door de opsporingsambtenaar) zonder uitstel wordt toegezonden aan het laboratorium dat met het onderzoek daarvan is belast. [12]
onderzochtmoet worden, terwijl de uitbesteding van het onderzoek van het bloedmonster door het NFI evenmin in strijd zou zijn met enig in het Besluit opgenomen voorschrift. Gelet op het voorgaande getuigt ook dit oordeel mijns inziens niet van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl dit oordeel evenmin onbegrijpelijk is. Daarbij merk ik nog op dat het Besluit een apart voorschrift inhoudt dat ziet op het onderzoek van het bloed. Art. 16, eerste lid, Besluit houdt immers in dat de onderzoeker, als bedoeld in art. 14, eerste lid, het bloedonderzoek verricht binnen twee weken na ontvangst van de buisjes of het buisje met bloed. Ook aan dit voorschrift is in het onderhavige geval voldaan, nu het bloedmonster (vermoedelijk) op 29 juni 2018 is ontvangen en het onderzoeksrapport van 9 juli 2018 dateert.