Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
body languagevan belang. Volgens de toelichting op de klacht heeft betrokkene geen eerlijke kans gekregen om haar zaak goed duidelijk te maken aan de rechter en, zo mogelijk, te verhinderen dat zoveel zware vormen van verplichte zorg die inbreuk maken op haar vrijheid, aan haar werden opgelegd. Het cassatierekest (onder 3) vermeldt, onder verwijzing naar het proces-verbaal, dat betrokkene tijdens de mondelinge behandeling duidelijk aan de rechtbank heeft laten merken dat zij problemen had met het telefonisch horen en in twijfel getrokken heeft of degene die zij aan de lijn had wel iemand van de rechtbank was.
lockdown)van de gerechtsgebouwen is op 16 maart 2020 openbaar bekend gemaakt als ingaande op 17 maart 2020. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden in het gerechtsgebouw, blijkens de beschikking onder 1.2. Betrokkene mist evenwel belang bij dit argument. Voor het antwoord op de vraag of het telefonisch horen op 16 maart 2020 toelaatbaar was, maakt geen verschil of de rechter belde vanuit het gerechtsgebouw of vanaf een andere plaats. Uit de gedingstukken blijkt overigens niet dat het (begeleid) doen overbrengen van betrokkene naar het gerechtsgebouw minder risico van een besmetting met het virus zou hebben meegebracht.
‘lawful’te doen zijn, is nodig dat deze geschiedt volgens een ‘
procedure prescribed by law’. Deze maatstaf houdt in de eerste plaats in dat de vrijheidsbeneming in overeenstemming is met de toepasselijke bevoegdheids- en procedureregels in het nationale recht. Daarnaast heeft het vereiste van ‘
lawful’in art. 5 lid 1 EVRM Pro een autonome betekenis, die inhoudt dat de vrijheidsbeneming in overeenstemming moet zijn met het doel van artikel 5, te weten bescherming tegen willekeurige vrijheidsbeneming. [4] Dat in dit geval sprake zou zijn van willekeurige vrijheidsbeneming is noch in eerste aanleg, noch in cassatie aangevoerd. De vrijheidsbeneming berust op de grond als bedoeld in art. 5, lid 1 onder e, EVRM en de noodzaak daartoe is door de rechtbank onderbouwd aan de hand van de medische verklaring. Het in het cassatiemiddel gestelde gebrek in de wijze van horen door de rechtbank (een tweezijdige elektronische geluidsverbinding, zonder dat (daarbij) sprake is van een beeldverbinding) moet worden getoetst aan de hand van het vereiste in art. 5 lid 4 EVRM Pro. Dit vereiste komt hierop neer dat betrokkene recht heeft op “
adversarial proceedings” waarin “
equality of arms” is verzekerd. De rechtbank constateert in rov. 2.1.2 dat door het telefonisch horen van partijen zonder beeldverbinding geen afbreuk wordt gedaan aan het recht op een eerlijk proces. De rechtbank stelt vast dat betrokkene en haar advocaat in ieder geval de mogelijkheid hebben gehad om door de rechter te worden gehoord en zich uit te laten over de verzochte machtiging. Die vaststelling
als zodanigis in cassatie niet bestreden. Zo is, bijvoorbeeld, niet gesteld of gebleken dat een geheel of gedeeltelijk wegvallen van de verbinding aan de communicatie tussen betrokkene en de rechter in de weg heeft gestaan.
body language,genoemd in het cassatierekest, gaat het om psychologische aspecten van communicatie tussen mensen, waarbij wederzijds indrukken worden opgedaan en op elkaars gedrag kan worden gereageerd. Op 16 maart 2020, voor Nederland in de beginfase van de COVID-19 pandemie, waren de voor een audiovisuele verbinding benodigde technische voorzieningen nog niet overal beschikbaar, althans niet zo algemeen dat zij door de wetgever als minimumvereiste konden worden voorgeschreven. In de Tijdelijke wet COVID-19 is dan ook de mogelijkheid aanvaard dat bij de mondelinge behandeling van zaken van burgerlijk recht en bestuursrecht gebruik wordt gemaakt van een telefoonverbinding zonder beeld. De korte beslistermijn (art. 7:8 lid 3 Wvggz Pro) laat de rechter weinig ruimte voor pogingen om alsnog in een beeldverbinding te voorzien wanneer de betrokken patiënt aangeeft daaraan behoefte te hebben. Wat daarvan zij, het geldend recht verplicht in dit geval niet tot een audiovisuele verbinding. De jurisprudentie van het EHRM, ontwikkeld in het kader van art. 6 lid 1 EVRM Pro (strafzaken), sluit het horen op afstand via een videoverbinding niet op voorhand uit. Wel wordt daaraan de eis gesteld dat het inzetten van een dergelijk communicatiemiddel in plaats van het fysiek verschijnen ter zitting een legitiem doel dient en dat de betrokken autoriteiten dit ook kunnen onderbouwen. Ook is van belang of de verdachte in staat is gesteld zijn verdedigingsrechten uit te oefenen en vertrouwelijk overleg te kunnen hebben met zijn advocaat. [5]