ECLI:NL:PHR:2020:662

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 mei 2020
Publicatiedatum
30 juni 2020
Zaaknummer
19/00120
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 432 lid 1 sub b SvArt. 9 lid 2 Wegenverkeerswet 1994
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens te late indiening na hoger beroep

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 12 december 2018, waarin de verdachte werd veroordeeld voor een overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994. De verdachte was op de terechtzitting van het hof verschenen en het cassatieberoep moest daarom binnen 14 dagen na deze einduitspraak worden ingesteld.

Het cassatieberoep is echter pas op 7 januari 2019 ingediend, wat buiten de wettelijke termijn valt zoals bepaald in artikel 432 lid 1 onder Pro b van het Wetboek van Strafvordering. Hierdoor kan de Hoge Raad het beroep niet in behandeling nemen en verklaart het niet-ontvankelijk.

De uitspraak bevestigt de strikte toepassing van de termijnen voor cassatieberoep indiening en benadrukt dat aanwezigheid bij de terechtzitting in hoger beroep de termijn van 14 dagen in werking stelt. De conclusie van de procureur-generaal bij de Hoge Raad was gericht op niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het cassatieberoep.

Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer19/00120
Zitting12 mei 2020

CONCLUSIE

D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,
hierna: de verdachte.
1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Utrecht, heeft bij arrest van 12 december 2018 onder aanvulling van gronden bevestigd het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 23 februari 2018 waarbij de verdachte wegens “
overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994” is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken, voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en een taakstraf voor de duur van zestig uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen dertig dagen hechtenis, en waarbij is gelast de tenuitvoerlegging van een eerder in de zaak met parketnummer 23/003437-16 voorwaardelijk opgelegde geldboete van € 900, subsidiair achttien dagen hechtenis, en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van acht maanden, een ander zoals in het vonnis vermeld.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. S. Schuurman, advocaat te Breukelen, heeft een middel van cassatie voorgesteld.
3. Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het onderhavige cassatieberoep merk ik het volgende op. Blijkens de stukken is het beroep in cassatie ingesteld op 7 januari 2019, zodat de verdachte – nu hij ter terechtzitting van het hof van 12 december 2018 was verschenen [1] – ingevolge artikel 432 lid Pro 1, aanhef en onder b, Sv in het beroep niet kan worden ontvangen.
4. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 12 december 2018 heeft het hof tevens uitspraak gedaan op 12 december 2018.