ECLI:NL:PHR:2020:504

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
31 maart 2020
Publicatiedatum
20 mei 2020
Zaaknummer
18/05223
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 435 SvArt. 437 Sv
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens ontbreken middelen na veroordeling voor feitelijke leiding oplichting

De verdachte is door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon gepleegde oplichtingsdelict. De straf bestond uit een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van twee jaar en een taakstraf van 240 uur, subsidiair 120 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest. Daarnaast werden de vorderingen tot schadevergoeding van benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen dit arrest is door de verdachte tijdig cassatieberoep ingesteld. Hoewel de aanzegging conform artikel 435, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering rechtsgeldig is betekend, zijn er geen middelen van cassatie ingediend binnen de gestelde termijn. Volgens artikel 437, tweede lid, Sv leidt het ontbreken van een schriftuur met middelen tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal concludeert dan ook dat het cassatieberoep van de verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Er is tevens sprake van samenhang met een andere zaak (18/05453), waarover eveneens een conclusie is uitgebracht.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van middelen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer18/05223
Zitting31 maart 2020

CONCLUSIE

E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,
hierna: de verdachte.
De verdachte is bij arrest van 5 december 2018 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens “feitelijke leiding geven aan het door een rechtspersoon begaan van oplichting, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden voorwaardelijk (met een proeftijd van twee jaren), en tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest. Voorts heeft het hof de benadeelde partijen in hun vorderingen tot schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaard, een en ander zoals in het arrest vermeld.
Er bestaat samenhang met de zaak 18/05453. Ook in die zaak zal ik vandaag concluderen.
Namens de verdachte is tijdig beroep in cassatie ingesteld. Hoewel de aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv geldig is betekend, zijn namens de verdachte geen middelen van cassatie voorgesteld.
Ingevolge art. 437, tweede lid, Sv dient op straffe van niet-ontvankelijkheid binnen twee maanden na de betekening van de aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie te zijn ingediend. Nu bij de Hoge Raad niet tijdig een schriftuur is ingediend, dient de verdachte in zijn cassatieberoep niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Deze conclusie strekt ertoe dat de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG