11. Terug naar het onderhavige geval. De eerste deelklacht ziet, zoals al gezegd, op de (motivering van de) afwijzende beslissing van het hof van het bij tijdig ingediende appelschriftuur gedane en ter terechtzitting in hoger beroep herhaalde verzoek tot het horen van de getuige [betrokkene 1]. Volgens het middel getuigt de afwijzing van het verzoek van een onjuiste rechtsopvatting, althans is de afwijzing van het verzoek, in het licht van hetgeen door en namens de verdachte is aangevoerd, onbegrijpelijk. In de toelichting op het middel wordt daartoe aangevoerd dat de wet – anders dan het hof heeft gedaan − niet als eis stelt dat een verzoek tot het horen van een getuige is onderbouwd met stukken waaruit het bestaan van de getuige blijkt. De motivering van de afwijzing van het verzoek door het hof is onbegrijpelijk, omdat de omstandigheid dat uit het dossier niet blijkt dat de getuige [betrokkene 1] een rol heeft gespeeld, nu juist de reden is waarom namens de verdachte om het horen van deze getuige is verzocht. Het horen van deze getuige dient ertoe dat de verdediging handen en voeten kan geven aan het verweer van de verdachte.
12. Hoewel daarover niet wordt geklaagd, merk ik op dat het hof bij de beoordeling van het bij (tijdig ingediende) appelschriftuur gedane verzoek tot het horen van [betrokkene 1] als getuige de juiste maatstaf heeft aangelegd, te weten het verdedigingsbelang.
13. Aan het verzoek tot het horen van de getuige [betrokkene 1] ligt ten grondslag de verklaring van de verdachte dat hij – kort gezegd – op aanraden van [betrokkene 1] Bitcoins wilde kopen, daarvoor een lening nodig had en dat [betrokkene 1] die lening, niettegenstaande zijn (negatieve) BKR registratie, voor hem kon regelen en de papieren daartoe heeft ingevuld en ingediend. Uit de ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring van de verdachte blijkt dat hij zich op het standpunt stelt dat [betrokkene 1] de stukken voor de beoogde lening tegen betaling voor hem heeft ingevuld en ingediend en dat de verdachte zich niet bewust is geweest dat op een van de stukken een verkeerde geboortedatum van zijn vrouw was ingevuld of dat bankafschriften waren vervalst. De raadsman van de verdachte heeft vervolgens ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat [betrokkene 1] moet worden gehoord om de verklaring van de verdachte omtrent de afspraken tussen hem en [betrokkene 1] met betrekking tot de lening te bevestigen.
14. Ten aanzien van dat verzoek overweegt het hof dat het verzoek onvoldoende is onderbouwd en moet worden afgewezen. Aan dat oordeel legt het hof ten grondslag dat de verdachte eerst in hoger beroep een verklaring heeft afgelegd over de gang van zaken, maar dat uit het dossier, noch uit de door de verdediging overgelegde stukken blijkt dat [betrokkene 1] een rol heeft gespeeld bij het tenlastegelegde feit. Voorts overweegt het hof dat de situatie thans niet anders is dan in eerste aanleg toen het getuigenverzoek werd afgewezen, aangezien ook nu geen onderbouwende stukken aan het verzoek ten grondslag zijn gelegd. Dat de politierechter aan het noodzaakcriterium heeft getoetst, terwijl bij de beoordeling thans het verdedigingsbelang van toepassing is, doet aan de plicht tot onderbouwing van dat verzoek immers niet af, aldus het hof.
15. De argumentatie van het hof acht ik niet zonder meer begrijpelijk. In de kern legt het hof aan zijn afwijzende beslissing vooral ten grondslag dat het verzoek onvoldoende is onderbouwd met stukken. Dat kan weliswaar een factor zijn bij de beoordeling van zo’n verzoek, maar gezien de (uitgebreide) verklaring van de verdachte en de door de raadsman gegeven onderbouwing van het verzoek, is ‘s hofs afwijzende oordeel, mede in het licht van hetgeen ik heb vooropgesteld, onvoldoende gemotiveerd. Door de raadsman en de verdachte is immers (uitgebreid) betoogd dat [betrokkene 1] – kort gezegd – de papieren voor de lening heeft ingevuld en ingediend, bereid is daarover te verklaren en dat de verdachte geen weet heeft gehad dat bij de aanvraag gebruik is gemaakt van door [betrokkene 1] vals ingevulde of vervalste documenten. Doordat het hof hetgeen door de raadsman en de verdachte daaromtrent is aangevoerd in het midden heeft gelaten en niet nader heeft gemotiveerd waarom het verdedigingsbelang ontbreekt, terwijl uitgebreid is aangevoerd dat en waarom het horen van [betrokkene 1] relevant is voor de uitkomst van de zaak, schiet de motivering van ’s hofs afwijzende beslissing te kort.
16. De eerste deelklacht slaagt.