Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
middelklaagt dat het hof ten onrechte althans op niet begrijpelijke gronden het verzoek van de verdediging tot terugwijzing van de zaak met parketnummer 09-171013-17 naar de kantonrechter heeft afgewezen.
Verzoek om verwijzing
NJ2004/153 had de Economische Kamer van de Rechtbank Dordrecht de verdachte strafbaar verklaard ter zake van ‘overtreding van artikel 15 van Pro de Afvalstoffenverordening Dordrecht 1994, strafbaar gesteld bij artikel 44 van Pro de verordening’ doch bepaald dat ter zake geen straf of maatregel werd opgelegd. Ten aanzien van haar bevoegdheid had de rechtbank overwogen dat het ten laste gelegde feit geen economisch delict was maar behoorde tot de bevoegdheid van de kantonrechter. Om ‘proceseconomische redenen’ verwees de rechtbank de zaak evenwel niet op de voet van artikel 349, tweede lid, eerste volzin, Sv, maar deed zij de zaak zelf af. Uw Raad stelde vast dat het wel om een economisch delict ging, en dat de economische kamer derhalve wel bevoegd was. Daarmee kan uit dit arrest niet worden afgeleid, zoals Van Woensel lijkt te veronderstellen, dat bij tenlastelegging van alleen een kantonrechterovertreding door een andere kamer van de rechtbank van verwijzing naar de kantonrechter kan worden afgezien.