Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerste middelklaagt dat het hof de kosten levensonderhoud van € 29.000,- niet had mogen optellen bij het negatieve eindsaldo van de kasopstelling, nu dit bedrag al in die kasopstelling is verwerkt.
tweede middelbehelst de klacht dat het hof zonder toereikende motivering heeft overwogen dat de mogelijk legale inkomsten uit [A] VOF reeds in de kasopstelling zijn verwerkt.
contante privé-onttrekking [A]”). Dit bedrag is volgens het financieel rapport gebaseerd op een fiscaal jaarverslag van [A] over 2008. [2]
Contante inkomsten uit [A] VOF: 12.500 Euro. Eens.” In de bijbehorende voetnoot wordt verwezen naar: “
Zie B4 op p. 10 van de conclusie van antwoord jo. bijlage 3 bij die conclusie.” De stukken waarnaar wordt verwezen in de conclusie van antwoord in het kader van de schriftelijke voorbereiding van de behandeling van de ontnemingsvordering in eerste aanleg (ex artikel 511d lid 1 Sv), wijzen uit dat het contante bedrag van € 12.500,- is gebaseerd op een jaarverslag van [A] over 2009.
Het hof overweegt daarbij dat mogelijke legale inkomsten uit [A] reeds in de kasopstelling zijn verwerkt.”
derde middelbevat de klacht dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd dat de uitgaven en inkomsten in de kasopstelling slechts aan de betrokkene kunnen worden toegerekend, nu de kasopstelling ook op [betrokkene 6] betrekking heeft.
de betrokkenedaadwerkelijk wederrechtelijk heeft verkregen
uitdrukkelijk(en zo nodig
gemotiveerd) zal moeten bepalen welk deel van het saldo van de gezamenlijke kasopstelling aan de betrokkene kan worden toegerekend, behoudens indien de ontnemingsrechter bij wijze van hoge uitzondering op de voet van het thans geldende artikel 36e lid 7 Sr reden ziet voor een hoofdelijke aansprakelijkheid. [5]
vierde middelbevat klachten over (de motivering van) beslissingen op de door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunten, te weten dat de uitgegeven bedragen verklaarbaar zijn en uit legale bronnen afkomstig zijn zodat het ontnemingsbedrag veel lager had moeten worden geschat. Het hof had krachtens artikel 359 lid Pro 2, tweede volzin, Sv, zonder nadere motivering niet aan de uitdrukkelijk onderbouwde standpunten voorbij mogen gaan, aldus de steller van het middel.
“Eens”– met dat laatste kennelijk verwijzend naar de uitspraak van de rechtbank. [6] Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt niet dat daaraan nog meer is toegevoegd.
vijfde middelklaagt dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden.