Conclusie
Nummer19/04707 E
Bewezenverklaring, bewijsmiddelen en bewijsoverweging
haarmogelijk maakte te voldoen aan de voorschriften van 1.4.3.6 b) van het RID, aangezien ProRail B.V. van haar, verdachte, beladingsgegevens van een groep overstaande goederenwagens (spoor 342) had ontvangen waarop informatie over de UN-nummers van de gevaarlijke goederen die in of op genoemde wagens werden vervoerd, ontbrak;
gevaarlijke stoffenbevinden, heeft laten staan op het rangeeremplacement Onnen,
haarmogelijk maakte te voldoen aan de voorschriften van 1.4.3.6 b) van het RID,
Feit 2 tot en met 6
Beoordeling van de tenlastelegging
Toepasselijke regelgeving
Artikel 1a
Artikel 5
Artikel 1:
Regulation concerning the International Carriage of Dangerous Goods by Rail(RID) in. In het RID worden voorschriften gegeven voor het internationale vervoer van gevaarlijke stoffen over de spoorwegen. Het RID wordt tweejaarlijks gereviseerd.
Artikel 1
Artikel 1
richtlijn nr. 2008/68/EG: richtlijn nr. 2008/68/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 24 september 2008 betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over land (PbEU L 260).
1.9.5.4 NE. Melding, toezicht en afwikkeling van het vervoer van UN 1017 chloor
1.9.5.1 NE. Laten staan van spoorwagens
Bespreking van de middelen
eerstemiddel klaagt dat het oordeel van het hof dat de gedraging bedoeld in het onder 2 tenlastegelegde feit in redelijkheid aan de rechtspersoon kan worden toegerekend onbegrijpelijk, althans onvoldoende is gemotiveerd, onder meer nu op het eerste gezicht sprake zou zijn van een incidentele fout van een werknemer en het hof niets heeft vastgesteld over ‘de houding van de rechtspersoon c.q. (het toezicht op) het beleid van de rechtspersoon ten aanzien van deze gedraging.’ In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het hof het feit aan de verdachte zou hebben toegerekend op basis van de omstandigheid ‘dat de overtreding is verricht door een werknemer binnen de – geabstraheerde – normale bedrijfsvoering’. Het hof zou niet hebben vastgesteld dat sprake zou zijn ‘van een bedrijfsorganisatieklimaat waarbinnen het begaan van deze overtredingen wordt bevorderd, of dat géén zorg wordt betracht om de overtredingen te voorkomen’. Van structureel niet-naleven zou evenmin blijken. De stellers van het middel wijzen ook op hetgeen tijdens het onderzoek ter terechtzitting door de wettelijk vertegenwoordiger van de verdachte is aangevoerd, in het bijzonder ook in het ‘slotwoord van de verdachte’. [12] Dat houdt onder meer in:
tweedemiddel klaagt dat het oordeel van het hof dat de gedraging bedoeld in het onder 3 tenlastegelegde feit in redelijkheid aan de rechtspersoon kan worden toegerekend onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd is, onder meer nu op het eerste gezicht sprake is van een incidentele fout van een werknemer en het hof niets heeft vastgesteld over ‘de houding van de rechtspersoon c.q. (het toezicht op) het beleid van de rechtspersoon ten aanzien van deze gedraging.’ In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het hof het feit aan de verdachte zou hebben toegerekend op basis van de omstandigheid ‘dat de overtreding is verricht door een werknemer binnen de – geabstraheerde – normale bedrijfsvoering’. Het hof zou niet hebben vastgesteld dat sprake zou zijn ‘van een bedrijfsorganisatieklimaat waarbinnen het begaan van deze overtredingen wordt bevorderd, of dat géén zorg wordt betracht om de overtredingen te voorkomen’. Dat sprake is van structureel niet-naleven zou evenmin blijken uit de bewijsconstructie.
derdemiddel klaagt dat het oordeel van het hof dat de gedraging bedoeld in het onder 4 tenlastegelegde feit in redelijkheid aan de rechtspersoon kan worden toegerekend onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd is, onder meer nu op het eerste gezicht sprake zou zijn van een incidentele fout van een werknemer en het hof niets heeft vastgesteld over ‘de houding van de rechtspersoon c.q. (het toezicht op) het beleid van de rechtspersoon ten aanzien van deze gedraging.’ In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het hof het feit aan de verdachte zou hebben toegerekend op basis van de omstandigheid ‘dat de overtreding is verricht door een werknemer binnen de – geabstraheerde – normale bedrijfsvoering’. Het hof zou niet hebben vastgesteld dat sprake zou zijn ‘van een bedrijfsorganisatieklimaat waarbinnen het begaan van deze overtredingen wordt bevorderd, of dat géén zorg wordt betracht om de overtredingen te voorkomen’. Dat sprake is van structureel niet-naleven zou evenmin blijken uit de bewijsconstructie.
vierdemiddel klaagt dat het oordeel van het hof dat de gedraging bedoeld in het onder 5 tenlastegelegde feit in redelijkheid aan de rechtspersoon kan worden toegerekend onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd is, onder meer nu op het eerste gezicht sprake zou zijn van een incidentele fout van een werknemer en het hof niets heeft vastgesteld over ‘de houding van de rechtspersoon c.q. (het toezicht op) het beleid van de rechtspersoon ten aanzien van deze gedraging.’ In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het hof het feit aan de verdachte zou hebben toegerekend op basis van de omstandigheid ‘dat de overtreding is verricht door een werknemer binnen de – geabstraheerde – normale bedrijfsvoering’. Het hof zou niet hebben vastgesteld dat sprake zou zijn ‘van een bedrijfsorganisatieklimaat waarbinnen het begaan van deze overtredingen wordt bevorderd, of dat géén zorg wordt betracht om de overtredingen te voorkomen’. Dat sprake is van structureel niet-naleven zou evenmin blijken uit de bewijsconstructie.
vijfdemiddel klaagt dat het oordeel van het hof dat de gedraging bedoeld in het onder 6 tenlastegelegde feit in redelijkheid aan de rechtspersoon kan worden toegerekend onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd is, nu op het eerste gezicht sprake zou zijn van een incidentele fout van een werknemer en het hof niets heeft vastgesteld over ‘de houding van de rechtspersoon c.q. (het toezicht op) het beleid van de rechtspersoon ten aanzien van deze gedraging.’ [15] In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het hof het feit aan de verdachte zou hebben toegerekend op basis van de omstandigheid ‘dat de overtreding is verricht door een werknemer binnen de – geabstraheerde – normale bedrijfsvoering’. Het hof zou niet hebben vastgesteld dat sprake zou zijn ‘van een bedrijfsorganisatieklimaat waarbinnen het begaan van deze overtredingen wordt bevorderd, of dat géén zorg wordt betracht om de overtredingen te voorkomen’. Dat sprake is van structureel niet-naleven zou evenmin blijken uit de bewijsconstructie.