Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
BFK: niet) aan de regels te houden.
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte werd door het hof Amsterdam veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier weken, waarvan twee weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, wegens het besturen van een auto terwijl zijn rijbewijs was ingevorderd en geschorst. De advocaat-generaal had deze straf geëist en het hof achtte deze passend gelet op de ernst van het feit, eerdere veroordelingen en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
In cassatie klaagde de verdediging dat het hof niet specifiek de redenen had vermeld die tot de keuze van de vrijheidsbenemende straf hadden geleid, zoals vereist op grond van artikel 359, zesde lid, van het Wetboek van Strafvordering. Het hof verwees slechts naar de straf die de advocaat-generaal had gevorderd, zonder nadere motivering.
De Hoge Raad oordeelde dat deze motiveringsplicht een zelfstandige en expliciete afweging vereist, waarbij duidelijk moet blijken dat het hof zich bewust was van de aard van de straf en de redenen voor de oplegging. Het ontbreken hiervan leidt tot nietigheid van het arrest op dit punt. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging en verwees de zaak terug naar het hof Amsterdam voor hernieuwde beoordeling.
De overige klachten werden verworpen en er werden geen andere gronden voor vernietiging gevonden. De zaak betreft een overtreding van artikel 9, zevende lid, van de Wegenverkeerswet 1994, waarbij de verdachte eerder ook al was veroordeeld voor soortgelijke feiten.
Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering van de vrijheidsbenemende strafoplegging en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.