ECLI:NL:PHR:2020:1209
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt bewijslast bij accijnsnaheffing voor minerale olie in slobtanks
Belanghebbende, een Belgische B.V.B.A., kreeg een naheffingsaanslag opgelegd omdat bij een douanecontrole minerale olie werd aangetroffen in slobtanks op haar schip. De Inspecteur stelde dat belanghebbende de herkomst van deze olie niet had aangetoond, waardoor accijns verschuldigd zou zijn.
De Rechtbank Den Haag oordeelde dat belanghebbende onvoldoende bewijs had geleverd, mede omdat een ladingboek ontbrak, en bevestigde de naheffingsaanslag. Het Hof Den Haag kwam echter tot een andere conclusie en achtte de door belanghebbende overgelegde feiten en omstandigheden voldoende om aan te nemen dat het ging om gebruikelijke restlading, waardoor de naheffing niet terecht was.
In cassatie stelde de Staatssecretaris dat alleen de wettelijk voorgeschreven bewijsmiddelen konden worden geaccepteerd en dat belanghebbende niet aan haar bewijslast had voldaan. De Hoge Raad verwierp dit standpunt en stelde dat de Inspecteur de bewijslast draagt om aan te tonen dat accijnsgoederen buiten een schorsingsregeling voorhanden zijn zonder dat accijns is geheven. Het ontbreken van specifieke herkomstbescheiden zoals facturen of ladingboeken rechtvaardigt niet automatisch een naheffing.
De Hoge Raad bevestigde daarmee het oordeel van het Hof dat de naheffingsaanslag onterecht was opgelegd en verklaarde het beroep van de Staatssecretaris ongegrond.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt vernietiging van de naheffingsaanslag.