Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Subonderdeel amemoreert de wettelijke bepalingen over de medische verklaring (waaronder art. 5:7 - 5:9 Wvggz), de parlementaire geschiedenis daarvan, de – hierna nog te bespreken − rechtspraak van de Hoge Raad over het psychiatrisch onderzoek onder de Wet Bopz en de rechtspraak van het EHRM over het vereiste van
‘objective medical expertise’in art. 5, lid 1 onder e, EVRM. De eigenlijke klacht houdt in dat de rechtbank rechtens niet mocht volstaan met de constatering dat de medische verklaring steunt op een uitgebreid en actueel dossier dat in voldoende mate een beeld schetst van de problematiek van betrokkene en (ii) dat, door betrokkene enkel telefonisch te spreken, de psychiater heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem kon worden verwacht. Ter toelichting bij punt (i) is aangevoerd dat de rechtbank miskent dat een psychiatrisch onderzoek − naast de informatie uit het medisch dossier (hetero-anamnese) en de informatie van betrokkene zelf, verkregen door het diagnostisch interview (auto-anamnese) − óók de eigen observatie door de psychiater in een direct contact in aanwezigheid van betrokkene moet omvatten, wil sprake kunnen zijn van
'objective medical expertise' als bedoeld in art. 5, lid 1 aanhef en onder e, EVRM.
objective medical expertise’ te (kunnen) voldoen had de psychiater, indien bezoek aan betrokkene echt niet mogelijk was, hem ten minste kunnen observeren via een
online-verbinding of beeldbellen. Aldus heeft de rechtbank miskend dat de in de medische verklaring opgegeven reden rechtens ontoereikend is voor de gevolgtrekking dat de psychiater heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem kon en mocht worden verwacht.
subonderdeel dblijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het in art. 15 lid 1 EVRM Pro bedoelde uitzonderingsgeval doet zich niet voor, omdat Nederland ten aanzien van het ingevolge art. 5 lid Pro 1, aanhef en onder e, EVRM vereiste medisch onderzoek in het kader van de Coronacrisis geen maatregelen
bij of krachtens de wetheeft genomen waarmee wordt afgeweken van de uit art. 5, lid 1 onder e, EVRM voortvloeiende verplichting ten aanzien van het observeren in een direct contact. De 'situatie rondom het Coronavirus' levert nog geen overmachtssituatie op waarin observatie van betrokkene onmogelijk was.
Subonderdeel esluit hierbij aan met de klacht dat onbegrijpelijk is dat en hoe de rechtbank tot het oordeel kwam dat, ondanks de genoemde gebrekkige 'diagnostiek', voldoende naar voren is gekomen dat sprake is van de genoemde 'psychiatrische stoornis' die tot ernstig nadeel leidt. Tot zover de klachten.
objective medical expertise" worden verstaan als onderzoek door een psychiater. In art. 5 lid Pro 1 (oud) Wet Bopz heeft aan de wetgever kennelijk een onderzoek voor ogen gestaan waarbij de psychiater de betrokkene in een direct contact spreekt en observeert. De Hoge Raad heeft hierbij wel het voorbehoud gemaakt dat niet kan worden aanvaard dat indien zo’n direct contact niet of slechts in beperkte mate mogelijk is als gevolg van weigering van de betrokkene om daaraan mee te werken, geen voorlopige machtiging (als bedoeld in art. 2 (oud) Bopz) zou kunnen worden verleend. In een dergelijk geval zal de psychiater in zijn verklaring uiteen moeten zetten waarom hij de betrokkene niet of slechts in een beperkte mate heeft kunnen onderzoeken en op welke gronden hij, mede aan de hand van derden verkregen informatie, niettemin tot de slotsom is gekomen dat betrokkene gestoord is in zijn geestvermogens en dat een geval als bedoeld in art. 2 (oud) Wet Bopz zich voordoet. Vervolgens zal de rechtbank dienen na te gaan of de psychiater datgene heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem kon worden verwacht om het door de wet vereiste onderzoek te doen plaatsvinden. Voorts zal de rechtbank behoren na te gaan of, ondanks de aan de verklaring klevende beperking, voldoende is komen vast te staan dat betrokkene gestoord is in zijn geestvermogens en dat een geval als bedoeld in artikel 2 Wet Pro Bopz zich voordoet. [11]
Subonderdeel ahoudt in dat de rechtbank niet heeft geoordeeld “
in accordance with a procedure prescribed by law” in de zin van art. 5 lid Pro 1, onderdeel e, en lid 4 EVRM en de rechtspraak van het EHRM daarover, omdat de onafhankelijke psychiater de betrokkene niet in een direct contact heeft geobserveerd.
Subonderdeel bvoert aan dat de omstandigheid dat de onafhankelijke psychiater de betrokkene niet in een direct contact heeft geobserveerd, leidt tot een schending van het door art. 6 lid 1 EVRM Pro gewaarborgd beginsel van
'equality of arms'. Hoewel geen sprake was van een volledige deskundige voorlichting (
'objective medical expertise') heeft de rechtbank dit rapport ten nadele van betrokkene aan haar beslissing ten grondslag gelegd.
Winterwerp v. the Netherlands, cited above, § 40,
Luberti v. Italy, 23 February 1984, § 27, Series A no. 75, and more recently,
Witek v. Poland, no. 13453/07, § 39, 21 December 2010). It is not the Court’s task to reassess various medical opinions, which would fall primarily within the competence of national courts; however, it must ascertain for itself whether the domestic courts, when taking the contested decision, had at their disposal sufficient evidence to justify the detention (see
Herz v. Germany, no. 44672/98, § 51, 12 June 2003). Deference is greater if it is a case of emergency detention.” [15]
equality of armsis mijns inziens geen sprake, om de volgende reden. Weliswaar heeft betrokkene – voor zover uit de gedingstukken blijkt – geen medezeggenschap gehad in de wijze waarop het psychiatrisch onderzoek op afstand is uitgevoerd, maar daartegenover staat (i) dat betrokkene feitelijk medewerking heeft verleend aan het onderzoek en informatie en zijn mening aan de psychiater heeft kunnen overbrengen, en (ii) dat betrokkene, zo hij van mening is dat het psychiatrisch onderzoek onvolledig is geweest, gebruik had kunnen maken van zijn bevoegdheid ingevolge art. 6:1 lid 5 Wvggz Pro om alsnog een of meer deskundigen te laten oproepen. Onderdeel 2 faalt om deze reden.