Conclusie
Nummer19/04987 P
Het cassatieberoep
Het middel
middelbevat de klacht dat het oordeel van het hof dat de verdachte door middel van of uit de baten van het strafbare feit ter zake waarvan zij in de strafzaak is veroordeeld wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen, niet voldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd.
1. Op vordering van het openbaar ministerie kan bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
door middel vanhet begaan van het te haren laste onder 1 bewezen verklaarde medeplegen van een gewoonte maken van het plegen van witwassen wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten. Zowel vóór als na 1 juli 2011 kon op grond van artikel 36e de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat, indien de veroordeelde voordeel heeft verkregen
door middel vanhet in de strafzaak bewezen verklaarde feit. Het hof concludeert dat ten aanzien van de gehele in de strafzaak bewezen verklaarde periode is voldaan aan de vereisten van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
(…)
4. Wederrechtelijk verkregen voordeel
de omzettingvan een uit een ander misdrijf afkomstig geldbedrag van € 176.318,00 in onder meer een verbouwing, vakanties en regulier levensonderhoud de betrokkene en haar partner een voordeel van € 176.318,00 oplevert. Niet de waarde van de bestedingen waarin het uit ander misdrijf verkregen geldbedrag is omgezet kan worden geacht uit die omzetting te zijn verkregen, maar alleen de waardevermeerdering ten opzichte van het uit ander misdrijf verkregen geldbedrag die deze omzetting heeft gegenereerd. Het oordeel van het hof dat het door middel van de omzetting verkregen voordeel gelijkstaat aan het uit ander misdrijf verkregen en nadien omgezette geldbedrag getuigt aldus van een onjuiste rechtsopvatting, althans is niet zonder meer begrijpelijk.