Conclusie
[eiseres],
EVG,
1.Feiten
2.Procesverloop
het hof). Het hof heeft op 14 maart 2018 een comparitie na aanbrengen gehouden, die niet tot een minnelijke regeling heeft geleid.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
(a)De vraag is dus of EVG reeds vóór 1 april 2016 diende te presteren, in die zin dat zij een opeisbare verbintenis jegens [eiseres] vóórdien niet nakwam.
(b)[eiseres] stelt dat dit het geval is, nu er vanaf de aanvang van de installatie van het camerasysteem voortdurend storingen waren en dat zij deze steeds bij EVG heeft gemeld.
(c)Deze stelling heeft zij echter tegenover de betwisting daarvan door EVG onvoldoende onderbouwd.
(d)Uit de door EVG overgelegde uitdraai van het servicesysteem (productie P3 bij brief van EVG van 4 oktober 2017) kan de juistheid van deze stelling in ieder geval niet worden afgeleid. Hieruit blijkt slechts van een of enkele storingen (onder meer op 29 december 2015) waarvan vast staat dat EVG deze op afstand heeft verholpen. Het had op de weg van [eiseres] gelegen, die zich op een vóór 1 april 2016 ontstane opschortingsbevoegdheid beroept, om nader concreet aan te geven wanneer en in welke frequentie de storingen zich in de periode tot 1 april 2016 hebben voorgedaan en waaruit deze dan bestonden, maar dit heeft zij niet gedaan. Daar komt bij dat [eiseres] zelf in punt 15 van haar dagvaarding in Verzet heeft gesteld dat EVG (naar het hof begrijpt) tot en met het eerste kwartaal van 2016 er blijk van heeft gegeven de klachten serieus te nemen en pogingen in het werk stelde om de storingen te verhelpen.
(e)Aldus heeft [eiseres] onvoldoende aangevoerd om te kunnen concluderen dat er vóór 1 april 2016 sprake was van een zodanig gebrek aan het camerasysteem dat kan worden gezegd dat EVG haar uit de overeenkomst voortvloeiende opeisbare verbintenis jegens [eiseres] niet nakwam en die haar de bevoegdheid gaf tot een algehele opschorting van de per 1 april 2016 verschuldigde termijnbedragen. Daarbij komt het volgende. Hoewel in het algemeen niet de eis kan worden gesteld dat degene die opschort dit aan zijn wederpartij kenbaar maakt, kunnen de eisen van de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat een partij pas mag opschorten nadat zij haar wederpartij heeft meegedeeld dat en op welke grond de opschorting plaatsvindt. Daarbij is in het bijzonder van belang hetgeen de wederpartij ten tijde van de opschorting wist of uit de toen bestaande omstandigheden had behoren te begrijpen en wat de partij die opschort toen met betrekking tot die wetenschap mocht aannemen (HR 17 februari 2006, NJ 2006, 158, HR 17 december 2010, NJ 2012, 43).
(i)Uit de stukken van het dossier - waaronder de al genoemde uitdraai van het service systeem - kan met geen mogelijkheid worden afgeleid dat EVG voor 1 april 2016 had moeten begrijpen dat [eiseres] in verband met een niet naar behoren werkend systeem haar betalingsverplichtingen had willen opschorten.
(ii)Evenmin is correspondentie tussen partijen van vóór 1 april 2016 overgelegd die steun biedt aan de opvatting dat [eiseres] al voor 1 april 2016 had willen opschorten en dat voor EVG duidelijk had moeten zijn. Weliswaar schrijft [eiseres] (memorie van grieven p. 30) dat in maart-april 2016 de maat vol was, maar of en in welke zin zij dat toen ook aan EVG heeft duidelijk gemaakt, blijft in het ongewisse.
(iii)In ieder geval zijn daaromtrent geen concrete feiten door haar gesteld.
(iv)Een en ander brengt mee dat onder de geschetste omstandigheden de eisen van de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat [eiseres] pas mocht opschorten nadat zij aan EVG had meegedeeld dat en waarom zij zou gaan opschorten en een dergelijke mededeling heeft [eiseres] voor of uiterlijk op 1 april 2016 niet gedaan.
kennelijknaar aanleiding van een melding zijdens [eiseres] is gemaakt. Dat op 7 en 9 maart 2016 controles zijn uitgevoerd waarbij op de uitdraai is vermeld ‘Cam online’ en ‘Online’, volgt evenmin eenduidig dat er toen (of voordien) sprake is geweest van storingsmeldingen. Daarom is het feitelijk oordeel van het hof dat uit de door EVG overgelegde uitdraai van het servicesysteem de juistheid van de stelling van [eiseres] in ieder geval niet kan worden afgeleid, niet onbegrijpelijk.
onder 2.2.1-II, omdat die klacht inhoudelijk lijkt aan te sluiten bij het voorafgaande. [eiseres] betoogt dat het hof in rov. 5.5 onder d is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de stelplicht ter zake van een opschortingsrecht. Volgens de klacht is het niet noodzakelijk nader concreet aan te geven wanneer en in welke frequentie de storingen zich in de periode tot 1 april 2016 hebben voorgedaan en waar deze dan precies uit bestonden.
tot en methet eerste kwartaal van 2016 er blijk van heeft gegeven de klachten serieus te nemen en pogingen in het werk stelde om de storingen te verhelpen, kan dit betoog [eiseres] niet baten. Immers, dat het door [eiseres] gestelde wellicht niet voor het eerste kwartaal van 2016 geldt, maakt het oordeel niet anders. Het ging het hof er blijkens rov. 5.5 in de eerste plaats om dat [eiseres] heeft nagelaten nader concreet aan te geven wanneer en in welke frequentie de storingen zich in de periode tot 1 april 2016 hebben voorgedaan en waaruit deze precies bestonden.
voor of uiterlijk op 1 april 2016aan EVG heeft meegedeeld dat en waarom zij haar betalingsverplichting zou gaan opschorten. [eiseres] heeft slechts gesteld ‘op enig moment’ een mededeling daaromtrent te hebben gedaan, waarna [eiseres] vervolgt met het beschrijven van de situatie dat EVG op 23 mei 2016 monteurs heeft gestuurd. Hieruit blijkt niet dat die mededeling vóór 1 april 2016 is gedaan. Om die reden hoefde het hof deze stelling niet te bespreken.
Met betrekking tot de klachten met betrekking tot de opschorting in onderdeel 2.1 en onderdeel 2.2” gewezen op HR 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1581, welk arrest ziet op het intreden van verzuim zonder ingebrekestelling. De Hoge Raad overweegt daarin onder meer dat onder omstandigheden een beroep op het ontbreken van een ingebrekestelling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kan zijn. [12] [eiseres] stelt dat hetgeen de Hoge Raad in dat arrest heeft overwogen ten aanzien van verzuim,
mutatis mutandisheeft te gelden voor de vraag wie een opschortingsrecht toekomt. Het zou daarbij niet gaan om een strakke regel maar of “
in de gegeven omstandigheden het aan een partij die niet deugdelijk nakomt, voldoende duidelijk is of had moeten zijn dat de betaling werd opgeschort in afwachting van een meer substantiële oplossing van de opgetreden gebreken.”
vooruitdient te betalen. Een schuldenaar kan geen beroep doen op een opschortingsbevoegdheid als hij als eerste moet presteren. [eiseres] kan op grond van artikel 6:262 BW Pro geen beroep doen op opschorting van zijn betalingsverplichtingen aan het begin van een contractstermijn, omdat hij zelf als eerste tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichting onder de Overeenkomst.. De factuur die [eiseres] bijvoorbeeld op 1 april 2016 moest betalen, had betrekking op de periode van 1 april 2016 tot 30 juni 2016 (zie Productie 2 bij Dagvaarding E.V.G.). [eiseres] verwijst echter bij zijn bericht d.d. 30 mei 2016 waarin hij de opschorting aankondigt, uitsluitend naar problemen vanaf 23 of 27 mei 2016 (zie Productie 2 bij Verzetdagvaarding [eiseres]), dus bijna twee maanden nadat de factuur betaald had moeten worden. Dit betekent dat [eiseres] de factuur van 1 april ten onrechte niet heeft betaald. Dit geldt steeds voor de hiernavolgende termijn, omdat [eiseres] steeds eerst moet betalen.” [13]
in die maandheeft verwezen, terwijl de factuur die [eiseres] als eerste heeft nagelaten te betalen al op 1 april 2016 betaald had moeten worden. Op grond hiervan concludeert EVG dat [eiseres] de factuur van 1 april 2016 ten onrechte niet heeft betaald.
Vervolgens heeft [eiseres] aangekondigd dat hij de factuur van 1 april 2016 niet zou gaan betalen. Op of omstreeks 1 april 2016 was EVG, daarvan ook op de hoogte, aangezien [eiseres] op die dag de betaling die d.m.v. automatische incasso door EVG werd uitgevoerd, te storneren. EVG was dus reeds op 1 april op de hoogte van de feitelijke opschorting door [eiseres] van zijn betalingsverplichting.” [14]