Conclusie
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Subonderdeel 1.1klaagt dat het oordeel van het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting van de bevoegdheid van de dwangsomrechter om de dwangsom op te heffen in een geval als het onderhavige waarin de dwangsomrechter in het dwangsomvonnis uitdrukkelijk heeft bepaald op welke wijze de hoofdveroordeling uitgevoerd dient te worden, maar die hoofdveroordeling niet conform die instructies van de dwangsomrechter is uitgevoerd. Volgens het subonderdeel heeft het hof miskend dat in een geval als het onderhavige, voor de vraag of de veroordeelde in de onmogelijkheid is komen te verkeren om aan de hoofdveroordeling te voldoen, enkel bepalend is of het voor de veroordeelde onmogelijk was om tijdig de instructies van de rechter ter uitvoering van die hoofdveroordeling op te volgen. Het subonderdeel voert aan dat het niet aan de dwangsomrechter is die op een vordering tot opheffing heeft te oordelen de oorspronkelijke en duidelijke instructies zoals die in het dwangsomvonnis zijn neergelegd achteraf op zodanige wijze uit te leggen dat de uitvoering daarvan op losse schroeven komt te staan. Dat zou indruisen tegen het in de drie Beneluxlanden aanvaarde rechtsbeginsel dat de mogelijkheden om terug te komen van een rechterlijke beslissing beperkt zijn.
per aangetekende briefachterwege kan blijven in geval van uitdrukkelijke en schriftelijke instemming van [betrokkene 3]
met oproeping langs andere weg.