ECLI:NL:PHR:2019:913

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
24 september 2019
Publicatiedatum
19 september 2019
Zaaknummer
17/05740
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 11 lid 3 OpiumwetArt. 3 onder B OpiumwetArt. 26 lid 1 Wet wapens en munitieArt. 13 lid 1 Wet wapens en munitie
Verwijzingen
10 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens overschrijding redelijke termijn

De verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot een gevangenisstraf van zestien maanden wegens deelname aan een criminele organisatie en diverse strafbare feiten op het gebied van de Opiumwet en de Wet wapens en munitie.

Tegen dit arrest stelde de verdachte cassatieberoep in. Het enige middel in cassatie betrof de klacht dat de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak was overschreden, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM.

De Procureur-Generaal concludeerde dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat de verdachte geen inhoudelijke klachten had over het bestreden arrest of de behandeling door het hof, waardoor het middel onvoldoende belang bij cassatie uitdrukt.

De conclusie van de AG is gebaseerd op eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad en literatuur, waarin wordt benadrukt dat overschrijding van de redelijke termijn alleen niet voldoende is voor ontvankelijkheid zonder inhoudelijke klachten.

De zaak hangt samen met andere strafzaken tegen medeverdachten, maar deze conclusie richt zich uitsluitend op de ontvankelijkheid van het cassatieberoep van deze verdachte.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de redelijke termijn zonder inhoudelijke klachten.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer17/05740
Zitting24 september 2019

CONCLUSIE

F.W. Bleichrodt
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960,
hierna: de verdachte.
De verdachte is bij arrest van 1 december 2017 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens 1. “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11, derde lid, van de Opiumwet alsmede het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”, 2. ”medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod”, 4. “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie” en 5. “handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien maanden met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr.
De zaak hangt samen met de strafzaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 5] (15/05643), [medeverdachte 2] (17/05745), [medeverdachte 3] (18/00234) en [medeverdachte 4] (18/04966), waarin ik vandaag ook concludeer.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. J.G. Kabalt, advocaat te Breukelen, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Het
middelbehelst de klacht dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden.
Het middel strekt er slechts toe te klagen dat als gevolg van het instellen van het cassatieberoep na de bestreden uitspraak de redelijke termijn in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. De verdachte heeft kennelijk geen (cassatie)klachten over de bestreden uitspraak en/of over de behandeling van de zaak door het hof. Daarmee betreft het een klacht die onvoldoende belang bij het cassatieberoep tot uitdrukking brengt. [1]
6. Deze conclusie strekt ertoe dat de verdachte in zijn cassatieberoep op de voet van art. 80a RO niet-ontvankelijk wordt verklaard.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.Zie HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0132, NJ 2013/244 m.nt. Bleichrodt en HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005, NJ 2016/430, rov. 2.4.2, HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0146, NJ 2013/241, rov. 2.4.2. en A.J.A. van Dorst, ‘Cassatie in strafzaken’, negende druk, Deventer: Kluwer 2018, p. 214.