ECLI:NL:PHR:2019:88

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
8 januari 2019
Publicatiedatum
30 januari 2019
Zaaknummer
17/04598
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 435 SvArt. 437 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verdachte in cassatie na verzuim middelen in te dienen

De verdachte was door het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld tot 20 jaar gevangenisstraf voor medeplegen van moord en medeplegen van opzettelijk brandstichten met gemeen gevaar. Daarnaast werd een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

De verdachte stelde tijdig beroep in cassatie in, waarna de aanzegging van het cassatieberoep aan hem persoonlijk werd uitgereikt. Door vertraging in de strafadministratie van de Hoge Raad werd de advocaat van de verdachte pas laat geïnformeerd over de aanvang van de termijn voor het indienen van de cassatieschriftuur. Daarom werd in overleg met de rolraadsheer een nadere termijn verleend tot 25 juni 2018.

Ondanks deze verlenging heeft de verdachte geen middelen van cassatie ingediend. Hierdoor is niet voldaan aan het voorschrift van artikel 437, tweede lid, Sv, waardoor de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het cassatieberoep.

De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad is dat het beroep van de verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Het arrest van het hof 's-Hertogenbosch van 20 september 2017 blijft daarmee in stand.

Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in cassatie wegens het niet indienen van middelen binnen de gestelde termijn.

Conclusie

Nr. 17/04598
Zitting: 8 januari 2019
Mr. E.J. Hofstee
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. De verdachte is bij arrest van 20 september 2017 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens feit 1 “medeplegen van moord” en feit 2 primair “medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het hof de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 9.762,65 en aan de verdachte voor datzelfde bedrag een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in art. 36f Sr opgelegd, een en ander zoals in het arrest vermeld. [1]
2. Er bestaat samenhang met de zaken 17/04698, 17/04738, 17/05490 en 18/00253. Ook in die zaken zal ik vandaag concluderen.
3. Namens de verdachte is tijdig beroep in cassatie ingesteld. De aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv is op 16 februari 2018 aan de verdachte in persoon uitgereikt. De daarvan opgemaakte akte van uitreiking is op 25 april 2018 door de Hoge Raad ontvangen. Pas toen heeft de strafadministratie van de Hoge Raad de advocaat die in cassatie namens de verdachte optreedt, daarover en over de aanvang van de termijn voor het indienen van een schriftuur, houdende middelen van cassatie, kunnen berichten. Gelet op deze gang van zaken, is daarop in overleg met de rolraadsheer beslist in deze zaak een nadere termijn te verlenen voor het indienen van de cassatieschriftuur, en wel tot en met 25 juni 2018. Ook binnen deze nadere termijn zijn evenwel namens de verdachte geen middelen van cassatie voorgesteld.
4. Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn en de geboden nadere termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is het voorschrift van art. 437, tweede lid, Sv niet in acht genomen, zodat de verdachte in het beroep niet kan worden ontvangen.
5. Deze conclusie strekt ertoe dat de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Het arrest is gepubliceerd op rechtspraak.nl: Hof ’s-Hertogenbosch 20 september 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:4037.