ECLI:NL:PHR:2019:88
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verdachte in cassatie na verzuim middelen in te dienen
De verdachte was door het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld tot 20 jaar gevangenisstraf voor medeplegen van moord en medeplegen van opzettelijk brandstichten met gemeen gevaar. Daarnaast werd een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
De verdachte stelde tijdig beroep in cassatie in, waarna de aanzegging van het cassatieberoep aan hem persoonlijk werd uitgereikt. Door vertraging in de strafadministratie van de Hoge Raad werd de advocaat van de verdachte pas laat geïnformeerd over de aanvang van de termijn voor het indienen van de cassatieschriftuur. Daarom werd in overleg met de rolraadsheer een nadere termijn verleend tot 25 juni 2018.
Ondanks deze verlenging heeft de verdachte geen middelen van cassatie ingediend. Hierdoor is niet voldaan aan het voorschrift van artikel 437, tweede lid, Sv, waardoor de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het cassatieberoep.
De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad is dat het beroep van de verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Het arrest van het hof 's-Hertogenbosch van 20 september 2017 blijft daarmee in stand.
Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in cassatie wegens het niet indienen van middelen binnen de gestelde termijn.