ECLI:NL:PHR:2019:849

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
3 september 2019
Publicatiedatum
30 augustus 2019
Zaaknummer
18/02508
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 417bis SrArt. 81 RO
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling schuldheling wegens falende onderzoeksplicht bij aankoop gestolen caravan

De verdachte kocht op 12 februari 2015 een caravan die minder dan twee jaar oud was, voor een prijs van € 8.000, terwijl de marktwaarde aanzienlijk hoger werd geschat op € 22.000. De aankoop vond plaats zonder contract, factuur of kentekenplaten, en de verdachte kende de verkoper niet persoonlijk. Het hof oordeelde dat verdachte onder deze omstandigheden redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de caravan door een misdrijf was verkregen.

De verdediging voerde aan dat verdachte geen deskundige was op het gebied van caravans en dat hij handelde uit vertrouwen in een vriend, waardoor er geen sprake was van verwijtbare onvoorzichtigheid. Het hof stelde echter dat verdachte een onderzoeksplicht had om de herkomst van de caravan te verifiëren, zeker gezien de ongebruikelijke omstandigheden van de aankoop.

De Hoge Raad concludeerde dat het hof terecht de onderzoeksplicht heeft aangenomen en dat de vaststelling van de marktwaarde van de caravan niet onbegrijpelijk was. Het middel tot cassatie faalde, en de veroordeling tot schuldheling bleef in stand. De zaak benadrukt het belang van zorgvuldigheid bij het verwerven van goederen die mogelijk door misdrijf zijn verkregen.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van één maand wegens schuldheling van een gestolen caravan door het niet naleven van de onderzoeksplicht.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer18/02508
Zitting3 september 2019

CONCLUSIE

D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,
hierna: de verdachte.
De verdachte is bij arrest van 30 mei 2018 door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch wegens “schuldheling” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand.
Er bestaat samenhang met een andere zaak tegen de verdachte die onder nummer 18/02509 aanhangig is waarin de verdachte is veroordeeld wegens schuldheling van een personenauto en kentekenplaten. Die zaak is gelijktijdig, maar niet gevoegd behandeld op dezelfde terechtzitting als waar de onderhavige zaak is behandeld. In de samenhangende zaak zal ik vandaag ook concluderen.
Namens de verdachte hebben mr. R.J. Baumgardt en mr. P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
Het
middelkeert zich tegen de door het hof aangenomen onderzoekplicht die op de verdachte rustte naar de herkomst van de caravan.
Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
“hij op 12 februari 2015 in Nederland een goed, te weten een caravan, heeft verworven en voorhanden gehad, terwijl hij ten tijde van het verwerven van dit goed redelijkerwijs moest vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.”
6. Met betrekking tot de onderzoekplicht waarop het middel betrekking heeft, houden de bewijsoverwegingen van het hof het volgende in:
“De verdediging heeft vrijspraak bepleit wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. Daartoe is aangevoerd dat verdachte geen deskundige is op het gebied van caravans en dat hij op basis van vertrouwen in een vriend heeft gehandeld en dat daarom geen sprake is van verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid.
Het hof overweegt als volgt.
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte op 12 februari 2015 een nog geen 2 jaar oude caravan heeft gekocht die van diefstal afkomstig bleek te zijn. Verdachte heeft verklaard dat hij van een man van wie hij de naam niet wil noemen een adres had gekregen om een caravan te kopen voor € 8.000,00. Hij mocht de caravan meenemen na een aanbetaling van € 500,00, heeft ter zake geen contract en heeft ook geen afspraken gemaakt over afbetaling van het overige bedrag. Ook is van de aankoop van de caravan geen factuur of kwitantie. De papieren die bij de caravan hoorden zou hij nog krijgen.
Het hof is op grond van voornoemde feiten en omstandigheden van oordeel dat verdachte minst genomen redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de caravan van diefstal afkomstig was. Door op een dergelijk zeer ongebruikelijke wijze een relatief nieuwe caravan met een aanzienlijke waarde voor een relatief lage prijs van een hem tot dan onbekend persoon te kopen, is naar het oordeel van het hof sprake van bezwarende omstandigheden, ook voor iemand die mogelijk weinig kennis heeft van caravans. Verdachte had naar het oordeel van het hof onder die omstandigheden nader onderzoek naar de herkomst van de caravan moeten doen, te meer nu hij ook geen kentekenplaten van de caravan ontving. Verdachte heeft bij de politie zelf ook verklaard dat hij wellicht impulsief heeft gehandeld en er niet zo bij heeft stilgestaan dat hij bij de aanschaf van de caravan geen papieren meekreeg. Bij enig nadenken, wat van verdachte gelet op voornoemde omstandigheden mocht worden gevergd, had verdachte redelijkerwijs moeten vermoeden dat de caravan een door misdrijf verkregen goed betrof.
Door dit niet te doen is verdachte in ernstige mate tekortgeschoten in zijn onderzoeksplicht, hetgeen meebrengt dat verdachte met de voor schuldheling vereiste aanmerkelijke onvoorzichtigheid heeft gehandeld. Mitsdien acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan schuldheling.”
7. Het hof heeft in zijn bewijsoverweging vastgesteld dat:
a) de verdachte een nog geen twee jaar oude caravan heeft gekocht voor een prijs van € 8.000, terwijl de caravan een veel hogere waarde had;
b) de verdachte de verkoper vooraf niet kende;
c) de verdachte, zonder dat hij een contract had of dat er afspraken met de verkoper waren gemaakt over de verdere afbetaling, de caravan mocht meenemen na een aanbetaling van € 500;
d) van de aankoop geen factuur of kwitantie is;
e) de verdachte pas later de papieren die bij de caravan hoorden, zou verkrijgen, en
f) de verdachte van de verkoper geen kentekenplaten van de caravan ontving.
8. Op grond van voormelde vaststellingen heeft het hof aangenomen dat op de verdachte de plicht rustte onderzoek te doen naar de herkomst van de caravan.
9. Tegen de motivering die het hof aan de onderzoekplicht ten grondslag heeft gelegd, wordt door de steller van het middel aangevoerd dat “van een caravan die in 2014 is ontvreemd en waarvan uit de bewijsmiddelen niet blijkt wat de staat van onderhoud is, [niet], althans niet zonder meer, [kan] worden gesteld dat in 2015 een verkoopprijs van € 8.000,-- dusdanig aanzienlijk lager is [dan] de marktwaarde, dat verdachte ten tijde van het verwerven/voorhanden krijgen van de caravan redelijkerwijs moest vermoeden dat de caravan door misdrijf was verkregen. Dit klemt te meer nu het hof ook heeft vastgesteld dat de caravan opgehaald is vanaf een locatie waarop meerdere kampeerwagens waren gestald.”
10. Het hof heeft door de verklaring van de bestolen eigenaar van de caravan voor het bewijs te gebruiken (bewijsmiddel onder 1) de waarde van de caravan ten tijde van de diefstal vastgesteld op € 22.000. In de kern wordt geklaagd dat deze vaststelling onbegrijpelijk is omdat uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen “niet blijkt wat de staat van onderhoud is”. In cassatie kan niet worden onderzocht of het hof terecht de door de eigenaar opgegeven waarde van de caravan voor het bewijs heeft gebruikt. [1] In zoverre wijs ik er ten overvloede op dat de waardebepaling niet onbegrijpelijk is aangezien de caravan ongeveer een jaar oud en dus relatief nieuw was en ter terechtzitting van het hof niets is aangevoerd over de mogelijk slechte staat van onderhoud van de caravan die de waarde van de caravan aanmerkelijk zou verminderen. Ook ligt het niet voor de hand dat de caravan in deze betrekkelijk korte tijd zo slecht is onderhouden dat dit tot een aanmerkelijke waardevermindering zou hebben geleid. Het oordeel van het hof met betrekking tot de “relatief lage prijs” die de verdachte voor de caravan heeft betaald gelet op de “aanzienlijke waarde” die het hof aan de caravan heeft toegekend, acht ik niet onbegrijpelijk en dus ook geschikt als feit en omstandigheid waarop het hof de onderzoekplicht van de verdachte naar de herkomst van de caravan mede heeft gebaseerd. [2]
11. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.
12. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
13. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG

Voetnoten

1.HR 30 oktober 1984,
2.Vgl. HR 17 december 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC9146,