Conclusie
Het standpunt van de verdediging
Inbreuk op artikel 7 en Pro/of 16 van het Handvest
Société Colas Est [2] en
Roquette Frères [3] . In deze arresten ging het om de vraag of een bedrijfsruimte ook onder het begrip ‘woning’, zoals gehanteerd in het EVRM en het Handvest, kon vallen. Uit deze arresten volgt naar het oordeel van het hof - voor zover hier van belang - niet meer dan dat (ook) een rechtspersoon, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, een beroep op artikel 8 EVRM Pro of artikel 7 van Pro het Handvest kan toekomen. Ook de Hoge Raad ontkent in het bovengenoemde arrest echter niet dat aan rechtspersonen in beginsel een beroep op artikel 8 EVRM Pro kan toekomen. Wel volgt uit het oordeel van de Hoge Raad dat een beroep op het recht op bescherming van privéleven niet kan slagen, voor zover het de verplichting tot openbaarmaking van de jaarrekening betreft.
eerstemiddel klaagt dat het hof ten onrechte zou hebben geoordeeld dat de in de jaarrekening opgenomen gegevens niet onder het beschermingsbereik van art. 8 EVRM Pro en art. 7 Handvest Pro vallen en dat de verplichting tot openbaarmaking van de jaarrekening niet een aantasting van de door deze artikelen beschermde rechten oplevert. Gewezen wordt op rechtspraak van het EHRM over het beschermingsbereik van art. 8 EVRM Pro ten aanzien van zakelijke activiteiten van natuurlijke personen en rechtspersonen.
NJ1993/550 m.nt. Swart, rov. 5.3 heeft Uw Raad overwogen: ‘In ’s hofs overwegingen ligt het oordeel besloten dat de in art. 2:394 BW Pro vervatte plicht van de daar bedoelde rechtspersonen tot openbaarmaking van de jaarrekening zich slechts uitstrekt tot niet onder de bescherming van art. 8, eerste lid, EVRM vallende gegevens met betrekking tot de door de rechtspersoon gedreven onderneming. Dit oordeel is juist. Het hof heeft voormeld verweer derhalve terecht verworpen, zodat het middel faalt.’ Annotator Swart sprak in zijn noot destijds van een ‘voorzichtig arrest’: ‘de Hoge Raad heeft het slechts over gegevens die in het kader van een jaarrekening moeten worden gepubliceerd. Open blijft de mogelijkheid dat rechtspersonen in andere opzichten wel aanspraak kunnen maken op de bescherming van art. 8, bijvoorbeeld waar het een doorzoeken van bedrijfspanden betreft.’ Swart wees in dat verband op EHRM 16 december 1992, Niemietz v. Duitsland, appl. nr. 13710/58, waarin het EHRM oordeelde dat de doorzoeking van het kantoor van een advocaat een schending van art. 8 EVRM Pro opleverde. Hij meende dat de uitspraak van de Hoge Raad ‘niet zonder meer onverenigbaar (is) met de zaken Huvig, Chappell en Niemietz. Wel bevestigt de zaak Niemietz opnieuw dat het Europese Hof weinig geneigd is a priori menselijke activiteiten vanwege het organisatorische kader waarin zij plaatsvinden buiten de bescherming van de verdragsbepaling te stellen.’ Hij meende tegen die achtergrond dat een betere oplossing was geweest ‘het cassatieberoep af te wijzen om de reden dat de opgelegde verplichting niet onverenigbaar is met het tweede lid van art. 8.’
the time has come to hold that in certain circumstances the rights guaranteed by Article 8 of the Convention may be construed as including the right to respect for a company’s registered office, branches or other business premises’ betekent niet dat de gegevens die in een jaarrekening worden opgenomen onder de bescherming van art. 8 EVRM Pro vallen. [6] Hetzelfde geldt voor een verplichting voor bedrijven om belastingautoriteiten toegang te verlenen tot gegevens op een server [7] en voor het in het kader van een onderzoek kopiëren en opslaan van financiële informatie uit bankdocumenten. [8]
tweedemiddel klaagt onder
Adat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de in de jaarrekening opgenomen gegevens niet onder het beschermingsbereik van art. 16 Handvest Pro en/of het Unierechtelijke beginsel van bescherming van zakengeheimen vallen en de verplichting tot openbaarmaking geen aantasting van de door dat artikel en dat beginsel beschermde rechten oplevert. De stellers wijzen daarbij op rechtspraak van het HvJEU waaruit zou zijn op te maken dat concurrentiegevoelige gegevens onder het beschermingsbereik van art. 16 Handvest Pro vallen.
tweedemiddel onder
Bformuleert een klacht voor het geval het hof niet zou hebben geoordeeld dat de in de jaarrekening opgenomen gegevens en/of de deponering van de jaarrekening niet onder het beschermingsbereik van art. 16 Handvest Pro en/of het Unierechtelijk beginsel van bescherming van zakengeheimen vallen. Uit het voorgaande volgt dat het hof dat naar het mij voorkomt wel heeft geoordeeld; daarmee ontvalt de grondslag aan dit onderdeel van het middel.
derdemiddel klaagt onder
Adat het hof ten onrechte zou hebben geoordeeld dat de verplichting tot openbaarmaking van de jaarrekening het belang van openbaarheid dient en daarmee overeenkomstig art. 52 Handvest Pro beantwoordt aan een door de Unie erkende doelstelling van algemeen belang. In het licht van hetgeen bij het eerste en tweede middel is overwogen, zal ik de bespreking van het derde middel toespitsen op art. 8 EVRM Pro en art. 7 Handvest Pro.
interference by a public authority (…) in accordance with the law and (…) necessary in a democratic society in the interests of (…) the economic well-being of the country (…) or for the protection of rights and freedoms of others’ is. Uit art. 52 lid 1 Handvest Pro volgt dat een beperking op de uitoefening van de in dit Handvest erkende rechten en vrijheden ‘bij wet’ gesteld moet worden, ‘de wezenlijke inhoud’ van het recht moet eerbiedigen en dat met ‘inachtneming van het evenredigheidsbeginsel’ alleen ‘beperkingen worden gesteld, indien zij noodzakelijk zijn en daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen’. De koppeling met art. 8 EVRM Pro wordt gelegd door het derde lid van art. 52 Handvest Pro: inhoud en reikwijdte van een door het Handvest erkend recht zijn dezelfde als welke het corresponderend EVRM-recht eraan toekent. [13] Deze bepaling verhindert evenwel niet dat het recht van de Unie een ruimere bescherming biedt. Zowel art. 8 EVRM Pro als art. 52 Handvest Pro is bij de verplichting tot openbaarmaking van de jaarrekening en de bijbehorende toelichting in beginsel van belang, nu de verplichtingen inzake daarin op te nemen informatie niet alleen uit Europees recht voortvloeien. Nu zowel het hof als de stellers van het middel zich op art. 52 Handvest Pro concentreren en beide kaders nauw verwant zijn, zal ik mij bij de bespreking van het middel ook daarop richten.
derdemiddel onder
Bklaagt dat ’s hofs oordeel dat de verplichting tot openbaarmaking ertoe strekt om derden tot op zekere hoogte inzage te bieden in de financiële situatie van de onderneming en hen zo te beschermen rechtens onjuist is aangezien zulks niet blijkt uit (de considerans van) de Vierde Richtlijn. Het is niet meteen duidelijk hoe dit standpunt te rijmen is met de eerste overweging van de considerans. Daarin staat ‘dat de coördinatie van de nationale voorschriften inzake de indeling en de inhoud van de jaarrekening (…), alsmede de openbaarmaking van deze stukken (..) van bijzonder belang is voor de bescherming van de deelnemers in deze vennootschappen en van derden’. Daaruit volgt dat de voorschriften van de richtlijn mede strekken tot de bescherming van derden. Dat de verplichting tot openbaarmaking er ‘slechts’ toe zou strekken om derden te beschermen heeft het hof niet overwogen.
vierdemiddel onder
Aklaagt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de verplichting tot openbaarmaking, waarvan het hof heeft gesteld dat zij ertoe strekt om derden tot op zekere hoogte inzage te bieden in de financiële situatie van de onderneming en hen zo te beschermen, geschikt is om deze doelstelling te verwezenlijken. Het hof zou daarmee de toetsing aan het geschiktheidsvereiste hebben verricht ten aanzien van een te beperkte beschermingsdoelstelling. Het hof had volgens de stellers van het middel dienen te toetsen ‘of de verplichting tot openbaarmaking van de jaarrekening geschikt is om de financiële belangen van de deelnemers in vennootschappen en van derden die zaken met vennootschappen doen daadwerkelijk te beschermen’.
vierdemiddel onder
Bklaagt vervolgens dat het recht zou zijn geschonden en dat vormen zouden zijn verzuimd voor zover het hof zou hebben geoordeeld dat de verplichting tot openbaarmaking van de jaarrekening geschikt is om de financiële belangen van de deelnemers in vennootschappen en van derden die zaken met vennootschappen doen te beschermen. De stellers van het middel voeren in de toelichting ter onderbouwing aan dat de informatie in de jaarrekening daarvoor te summier en gedateerd is. Aandeelhouders, banken, externe financiers en andere crediteuren zouden de benodigde financiële gegevens daarom doorgaans direct bij (het bestuur van) de onderneming opvragen.
https://www.veb.net/). Al die leden kunnen daarbij aandelen in verschillende vennootschappen hebben. Maar ook bij vennootschappen waarvan de aandelen niet op een beurs genoteerd zijn is de openbaarmaking van een door een accountant onderzochte jaarrekening met informatie over de financiële situatie van de vennootschap voor derden een geschikt middel om – betrouwbare – informatie te verkrijgen.
vijfdemiddel klaagt onder
Adat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat met de door de raadsman slechts globaal aangeduide manier van verstrekken van informatie de door het hof omschreven doelstelling even doeltreffend zou kunnen worden verwezenlijkt als met verplichte openbaarmaking van de jaarrekening. Het hof had volgens de stellers van het middel moeten toetsen of de bescherming van de financiële belangen van deelnemers in vennootschappen en van derden die zaken doen met vennootschappen door middel van een minder belastende verplichting verwezenlijkt kan worden.
necessary in a democratic society’ is. Getoetst wordt of de redenen die de staat aanvoert voor een beperking deze rechtvaardigen. Daarbij komt de staat in de context van art. 8 EVRM Pro een ‘
margin of appreciation’ toe.
vijfdemiddel klaagt onder
Bover ’s hofs oordeel voor zover daarin besloten zou liggen dat het belang van gelijke eisen voor concurrerende vennootschappen zou betekenen dat het noodzakelijk is dat een verplichting tot openbaarmaking van de jaarrekening bestaat. Ook een minder vergaande verplichting zou de harmonisatiedoelstelling en dus het gelijke speelveld kunnen verwezenlijken.
zesdemiddel klaagt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de wetgever in redelijkheid tot de huidige regeling heeft kunnen komen en dat niet aannemelijk is geworden dat de regeling de grenzen van hetgeen strikt noodzakelijk is overschrijdt of dat [verdachte] onevenredig in haar belangen wordt getroffen door de verplichting tot openbaarmaking van haar jaarrekening. In de toelichting geven de stellers aan dat het bij ‘de evenredigheid in enge zin’ aankomt ‘op een afweging van de tegenover elkaar staande belangen’. Daarbij wordt niet betwist dat deelnemers en derden over betrouwbare financiële gegevens dienen te kunnen beschikken. Maar het ‘belang van concurrenten of willekeurige derden die geen zaken doen met de betreffende vennootschappen om kennis te kunnen nemen van de financiële situatie van die vennootschappen’ zou geen belang zijn dat opweegt tegen de door openbaarmaking van de jaarrekening veroorzaakte aantasting van belangen van [verdachte] bij de bescherming van haar financiële gegevens. Doordat iedereen jaarrekeningen ‘tegenwoordig via de website van de Kamer van Koophandel met een paar muisklikken kan inzien, is de toegankelijkheid daarvan thans feitelijk veel groter dan ten tijde van de implementatie van de Vierde Richtlijn begin jaren ’80 van de vorige eeuw’. [verdachte] heeft er, aldus de stellers van het middel, ‘met name grote moeite mee dat derden zomaar haar financiële gegevens en daarmee indirect die van de heer (…) kunnen inzien’.
zevendemiddel klaagt dat het hof niet heeft gereageerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de verplichting tot openbaarmaking van de jaarrekening in strijd is met het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel. De stellers van het middel wijzen in dat verband op HvJEU 6 maart 2014, C-206/13, ECLI:EU:C:2014:126 (Siragusa), waarin het HvJEU heeft overwogen dat het evenredigheidsbeginsel deel uitmaakt ‘van de algemene beginselen van het Unierecht die in acht moeten worden genomen door een nationale regeling die binnen de werkingssfeer van het Unierecht valt of dat recht ten uitvoer brengt’ (ov. 34). Nu het hof (ten onrechte) tot het oordeel is gekomen dat de verplichting tot openbaarmaking van de jaarrekening geen aantasting van de door art. 7 en Pro/of art. 16 Handvest Pro beschermde rechten tot gevolg heeft, zou het ten onrechte hebben nagelaten art. 47 Vierde Pro Richtlijn en art. 2:394 BW Pro te toetsen aan het zelfstandige Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel. De stellers van het middel geven daarbij aan dat een toetsing aan dit evenredigheidsbeginsel niet meebrengt dat het overbodig is te beoordelen of de in de jaarrekening opgenomen financiële gegevens door art. 7 Handvest Pro, art. 16 Handvest Pro en/of het Unierechtelijke beginsel van bescherming van zakengeheimen worden beschermd. Want als één van die artikelen of dat beginsel van toepassing is zal die bescherming, aldus de stellers, ‘zwaarder wegen bij de door het evenredigheidsbeginsel vereiste belangenafweging dan in het geval waarin die gegevens daardoor niet beschermd worden’.
achtstemiddel klaagt dat het hof het bewezenverklaarde ten onrechte heeft gekwalificeerd als overtreding van een voorschrift gesteld bij art. 2:394, derde lid, BW en [verdachte] ten onrechte heeft veroordeeld tot een geldboete van € 900.-. Uit de tekst van en toelichting op het onderhavige middel laat zich niet afleiden dat de stellers met dit middel nog andere klachten onder de aandacht willen brengen dan in het voorgaande zijn besproken.