Conclusie
middelklaagt dat de door het hof onder 4 bewezenverklaarde valsheid in geschrift – kort gezegd: het opmaken van een werkgeversverklaring voor [medeverdachte 2] terwijl geen arbeidsovereenkomst bestond – niet uit de bewijsvoering kan volgen. Het middel valt in twee deelklachten uiteen. De eerste deelklacht betreft de bewijsvoering als zodanig en houdt in dat “niet uit de bewijsmiddelen [kan] worden afgeleid dat [medeverdachte 2] niet werkzaam is geweest voor [de verdachte] en dat er derhalve sprake zou zijn van het valselijk opmaken van een werkgeversverklaring afgegeven door of namens [A] ”, het bedrijf van de verdachte. De tweede deelklacht betreft de verwerping door het hof van een verweer, te weten dat [medeverdachte 2] wel degelijk werkzaam was voor het administratiekantoor van de verdachte, omdat het hof “in zijn motivering niet ingaat op de relevante objectieve gegevens die zijn aangevoerd door de raadsvrouw ter onderbouwing van het standpunt van [de verdachte] dat er wel sprake was van een daadwerkelijke arbeidsovereenkomst. Zo zijn onder andere de loonbetalingen doorgegeven aan de belastingdiens[t] en is hierover loonbelasting betaald.”
verhoor van [medeverdachte 2]:
verhoor van [medeverdachte 2]:
verhoor van verdachte:
verklaring van de [getuige]: