Conclusie
NZOen
Alpro.
1.Feiten
2.Procesverloop
de rechtbank). NZO heeft – na wijziging van eis – onder meer het volgende gevorderd: [6]
het hof). Inzet van het hoger beroep was een verdergaand verbod te verkrijgen dan de rechtbank had uitgesproken. [10] De vorderingen van NZO werden in hoger beroep ook ingesteld ten behoeve van de leden van NZO , zowel de vorderingen tot een verklaring van recht als de vordering tot schadevergoeding. NZO vorderde
onder a, sub igenoemde vordering betrokken op sojaproducten en bewoordingen, die door Alpro worden gebruikt op de verpakkingen van die producten of anderszins bij de presentatie daarvan, onder andere op websites. Het gaat om de volgende bewoordingen ten aanzien van een viertal productgroepen: [11]
onder a, sub iigenoemde vordering heeft eveneens betrekking op bovengenoemde producten en daarnaast op sojadesserts van Alpro .
het bestreden arrest) heeft het hof het vonnis van de rechtbank vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van NZO voor zover die door de rechtbank waren afgewezen, voor een (klein) deel alsnog toegewezen. Het dictum luidt:
aan te duiden, zelfs indien
die benamingenworden vervolledigd door verduidelijkende of beschrijvende aanvullingen die wijzen op de plantaardige oorsprong van het betrokken product. De uitzondering zoals die is opgenomen in deel III onder punt 5 in de tweede alinea geldt volgens het HvJEU alleen voor die producten die zijn opgenomen in het besluit van de Commissie van 20 december 2010 (besluit 2010/791/EU), zijnde het besluit tot vaststelling van de lijst van producten bedoeld in (thans) Bijlage VII, deel III onder punt 6, tweede alinea. Tussen partijen is niet in geschil dat deze uitzondering in deze zaak niet van toepassing is op de producten van Alpro .
(verkoop)benamingvan haar sojaproducten en mag zij deze voorbehouden zuivelbenamingen evenmin gebruiken om op enigerlei wijze haar producten
aan te duiden. Daarbij maakt het niet uit of zij de voorbehouden benamingen gebruikt op de verpakkingen van haar producten of anderszins bij de afzet dan wel presentatie van die producten.
benamingof als
aanduidingvan haar sojaproducten. Indien de voorbehouden zuivelbenamingen door Alpro op een andere wijze worden gebruikt, is dat gebruik volgens het HvJEU in zijn arrest van 14 juni 2017 (Tofu Town) niet – als zodanig en zonder meer – in strijd met de bepalingen van Verordening (EU) nr. 1308/2013.
toelaatbaar:
Schep-yofu en Mild & Creamy
onrechtmatigheeft gehandeld door de term “(100%) plantaardige room” op haar website voor het product Cuisine te gebruiken, aldus het hof (in navolging van de rechtbank). [19] Voor het overige is de wijze waarop Alpro voor haar producten Cuisine en Luchtig (-Aeré) & Creamy gebruik heeft gemaakt van woordcombinaties met daarin de term “room” naar het oordeel van het hof niet, althans niet zonder meer, in strijd met de toepasselijke Europese regels:
Alpro’s Cuisine en Luchtig(-Aeré) & Creamy
iedergebruik van de voorbehouden zuivelbenamingen voor niet-zuivelproducten zou zijn verboden (ook indien de zuivelbenamingen niet worden gebruikt als benaming of aanduiding voor een niet- zuivelproduct) niet juist is en daarom door het hof niet wordt gevolgd.
toelaatbaar:
Alpro ’s sojadranken
onrechtmatigheeft gehandeld: [20]
“een (dierlijk) zuivelproduct”(rov. 3.9.4) respectievelijk
“het (dierlijk) zuivelproduct ‘melk’”(rov. 3.9.10) betreft. De overige door NZO gelaakte wijzen van presentatie van de Alpro -sojaproducten acht het hof wel toelaatbaar, omdat voor die producten niet een dergelijke suggestie wordt gewekt. [22]
De vordering tot schadevergoeding
3.Juridisch kader
de Commissie) diende haar voorstel voor die verordening in op het moment dat de superheffing werd ingevoerd. Deze verordening werd in 1987 aangenomen en is in 2007 vervangen (zie hierna). De verordening heeft een tweeledig doel: de afzet van zuivelproducten bevorderen en de consument beschermen. De tweede, zevende en achtste overweging van deze verordening luiden:
punt 2, tweede alinea. Daarin worden twee categorieën van voorbehouden zuivelbenamingen onderscheiden. De categorie onder a) komt overeen met de lijst van zuivelbenamingen, waarnaar op die plaats wordt verwezen. De categorie onder b) kent een beschermde status toe aan benamingen in de zin van art. 17 van Pro Verordening (EU) 1169/2011 [30] “
die daadwerkelijk voor zuivelproducten worden gebruikt”. Laatstgenoemde verordening, die niet slechts op zuivelproducten maar op in beginsel alle levensmiddelen van toepassing is, [31] bevat voorschriften inzake de voedselinformatie aan de consument, waaronder verplichte vermeldingen zoals de voedingswaardevermelding. Art. 17 van Pro die verordening bevat een gelaagd systeem voor het toekennen van benamingen aan levensmiddelen. Ontbreekt een wettelijk voorgeschreven benaming, dan kan de gebruikelijke benaming worden gebruikt of kan worden geopteerd voor een beschrijvende benaming. [32]
punt 5, eerste alineamogen de in de punten 1, 2 en 3 bedoelde benamingen niet voor andere dan de in die punten bedoelde producten worden gebruikt. Op grond van die bepaling zijn de zuivelbenamingen genoemd in punt 2, tweede alinea, dus voorbehouden aan zuivelproducten. Het doel van deze verbodsbepaling is dus zuivelbenaming te beschermen door ze voor te houden aan zuivelproducten. In de onderhavige zaak staat deze bepaling centraal. In geschil is wat de reikwijdte is van de term “gebruikt” en wat de betekenis is van de term “benaming”.
het Uitzonderingenbesluit). [33] Voor Nederland staan daar producten op als pindakaas, leverkaas en cacaoboter. De in de tweede alinea bedoelde uitzondering geldt alleen voor producten die in het Uitzonderingenbesluit staan. [34] Ruimte om een uitzondering te maken voor niet-zuivelproducten wegens “
een kenmerkende eigenschap van het product” is er niet. [35]
punt 6, eerste alineamogen voor andere dan de in de punten 1, 2 en 3 bedoelde producten geen etiketten, reclame of enige vorm van presentatie worden gebruikt waarmee wordt aangegeven, geïmpliceerd of gesuggereerd dat het betrokken product een zuivelproduct is. Deze bepaling heeft betrekking op niet-zuivelproducten die niet onder een zuivelbenaming in de handel worden gebracht maar die wel als gevolg van gebruikte bewoordingen of afbeeldingen op de verpakking en in reclame daarvoor worden gepresenteerd als een zuivelproduct. Doel van deze verbodsbepaling is in essentie verwarringsgevaar te voorkomen.
Punt 6, tweede alineabevat een productvoorschrift voor producten die melk- of zuivelproducten bevatten. De in geding zijnde producten zijn alle plantaardige producten. Deze bepaling is in de onderhavige zaak daarom niet van toepassing.
punt 5” en “
punt 6”.
als zuivelproduct. Daarentegen is een zinsnede als “zuiver plantaardig alternatief voor yoghurt” of “zuivelvrije variatie op melk” omschrijvend van aard. Dergelijke bewoordingen vormen niet de benaming waaronder het product wordt aangeduid. Zij worden niet geraakt door het bepaalde in punt 5. Van dergelijke bewoordingen moet echter worden nagegaan of zij verenigbaar zijn met punt 6. Dat zijn producten die, kort gezegd, niet als zuivelproduct worden aangeduid maar wel als zodanig worden gepresenteerd.
de benaming die wordt gebruikt in alle stadia van het in de handel brengen.” [39] Voor “benaming” gebruikt het Frans “
dénomination”, het Engels “
designation” en het Duits “
Bezeichnung”. In Verordening (EG) 1234/2007 is de definitie van “benaming” ongewijzigd, net als de in de Franse, Engelse en Duitse versie voor “benaming” gebruikte termen.
de volgende benamingen, die in alle handelsstadia worden gebruikt” (waarop dan de lijst van voorbehouden benamingen volgt). In bijlage VII, deel III, zitten kleine verschillen tussen de vier onderzochte taalversies:
dénominations” (punten 1, 2, 3 en 5)
term” (punt 1), “
names” (punt 2) en “
designations” (punt 3 en 5)
Ausdruck” (punt 1) en “
Bezeichnung(en)” (punt 2, 3 en 5).
dénomination” het woord ‘
nom’ zit. Het gaat om de naam waaronder handel en consument een product kent en herkent (wat moet worden onderscheiden van het op het product aangebrachte merk). Dat betekent dat het bepaalde in punt 5, eerste alinea, ziet op het gebruik van een benaming om een product aan te duiden (werkwoord) en niet, zoals NZO in deze procedure verdedigt, op elk gebruik van een benaming op de verpakking van of in reclame voor dat product.
dénomination de vente”, Engels: “
sales description”, Duits: “
Verkehrsbezeichnungen”). Gelet op die definitie is het aannemelijk dat “benaming” en “verkoopbenaming” vaak zullen samenvallen. De term “verkoopbenaming” komt in deel III van bijlage VII niet voor. Steeds wordt daar de term “benaming” gebruikt.
mag slechts worden afgezet onder de volgende, voor iedere lidstaat vastgestelde verkoopbenaming(en).” Art. 78 lid 2 van Pro Verordening (EU) 1308/2013 spreekt ook van (“
… product dat voldoet aan de overeenkomstige in die bijlage vastgestelde eisen.”). Men ziet hetzelfde in Verordening (EU) 1169/2011 en haar rechtsvoorganger Richtlijn 2000/13/EG, [41] waarnaar wordt verwezen in bijlage VII, deel III, punt 2, tweede alinea, onder b. Art. 5 van Pro Richtlijn 2000/13/EG bevatte voorschriften voor het gebruik van de “verkoopbenaming”. De opvolger van deze richtlijn, Verordening 1169/2011, bevat niet meer de term “verkoopbenaming”, maar art. 17 bevat Pro wel de verplichting om productbenamingen te gebruiken. Die verplichting komt op hetzelfde neer als de daaraan voorafgaande regeling in art. 5 van Pro Richtlijn 2000/13/EG. Het begrip “verkoopbenamingen” is dus ruimer dan alleen voorgeschreven benamingen. Gebruikelijke en beschrijvende benamingen kunnen daar ook onder vallen.
het HvJEU)heeft in het arrest
TofuTownvan 14 juni 2017 een uitleg gegeven aan de voorschriften inzake het gebruik van voorbehouden zuivelbenamingen. [42]
TofuTownis gewezen door een ‘kleine kamer’ van drie rechters en er is afgezien van een conclusie van de advocaat-generaal. Kennelijk ging men in Luxemburg ervan uit dat het antwoord op de gestelde prejudiciële vragen gemakkelijk kon worden afgeleid uit bestaande rechtspraak. Daarbij is dan vermoedelijk gedacht aan het arrest
UDLuit 1999. [43]
TofuTownwas deze zaak aanhangig gemaakt door een Duits
Schutzverband. Dat is een privaatrechtelijke organisatie (veelal een vereniging) die wettelijk bevoegd is om bij de burgerlijke rechter op te treden tegen oneerlijke mededinging. [44] In geschil was in de kern of UDL twee producten waarin melkvet was vervangen door plantaardig vet, mocht verkopen onder de benaming “
Diätkäse”. Er stond een toelichtende beschrijving op de verpakking. In het ene geval was dat: “
deze dieetkaas is rijk aan meervoudig onverzadigde vetzuren”. Op het andere product stond: “
deze dieetkaas is ideaal voor een cholesterolbewust voedingspatroon”.
TofuTown, [46] dat is gewezen onder de vigeur van Verordening (EU) 1308/2013.
UDLverweerde TofuTown zich met de stelling dat wijze waarop de consument deze benamingen percipieert de laatste tijd aanzienlijk is gewijzigd. Bovendien gebruikte zij benamingen als “boter” of “cream” niet afzonderlijk maar samen met woorden of zinsdelen die juist verwijzen naar de plantaardige herkomst van de betrokken producten. Dit verweer bracht het Landgericht Trier ertoe het HvJEU te vragen of art. 78, lid 2 van en bijlage VII, deel III bij Verordening (EU) 1308/2013 zich ertegen verzetten dat de benaming “melk” en de uitsluitend aan zuivelproducten voorbehouden benamingen, worden gebruikt om bij de afzet of in reclame een zuiver plantaardig product aan te duiden, zelfs wanneer deze benamingen worden vervolledigd door verduidelijkende of beschrijvende aanvullingen die wijzen op de plantaardige oorsprong van het betrokken product.
aan te duiden:
benamingen, worden gebruikt
om bij de afzet of in reclameeen zuiver plantaardig product
aan te duiden, zelfs wanneer deze benamingen worden vervolledigd door verduidelijkende of beschrijvende aanvullingen die wijzen op de plantaardige oorsprong van het betrokken product, tenzij dit product is vermeld in bijlage I bij besluit 2010/791.”
TofyTowngaat het hier niet om een benaming waarmee een product wordt aangeduid en waar een zuivelbenaming onderdeel van is, maar om het gebruik van een zuivelbenaming als deel van omschrijvende of aanvullend mededelingen.
TofuTown, een met onderhavige zaak vergelijkbaar geschil over Alpro -sojaproducten heeft beslecht.
iedergebruik van deze benamingen voor niet-zuivelproducten is uitgesloten. Zo is Strüwer van mening dat het op zijn minst mogelijk zou moeten zijn om de voorbehouden benamingen te gebruiken, bijvoorbeeld in een beschrijving op de verpakking, om aan de consument duidelijk te maken voor welk zuivelproduct het desbetreffende niet-zuivelproduct een alternatief vormt. Dit gebruik zal evenwel niet in strijd mogen komen met het bepaalde in punt 6. [48] Ook Bendias is van oordeel dat de in het arrest
TofuTowngegeven uitleg niet eraan in de weg staat dat voorbehouden zuivelbenamingen worden gebruikt om een niet-zuivelproduct ‘vergelijkenderwijs’ af te zetten tegen een zuivelproduct, zolang deze voorbehouden benamingen maar niet worden gebruikt ter aanduiding van het betrokken product. [49] Fritzsche en Knapp wijzen erop dat als gevolg van de stijgende bekendheid van veganistische en vegetarische levensmiddelen de consument er meer en meer mee bekend is dat dergelijke levensmiddelen geen ingrediënten van dierlijke oorsprong bevatten. [50] Zij vinden dat het arrest
TofuTown, en dan met name punt 48 (zie hiervoor, 3.40), ertoe kan leiden dat de ‘gemiddelde consument’ meer tegen verwarringsgevaar wordt beschermd dan noodzakelijk is.
lagere rechtspraak. Ik noem vier uitspraken van Landgerichte die na het arrest
TofuTownzijn gewezen.
Landgericht Hamburg [51] gaat over de vraag of het gebruik van de bewoordingen “
zu verwenden wie Crème fraîche” aanleiding gaf tot verwarring bij de consument. Het Landgericht was van oordeel dat dit inderdaad het geval was, gelet op de wijze waarop de verpakking was vormgegeven. Het gebruik van de term “crème fraîche” was, zo lees ik de uitspraak, niet als zodanig verboden. De term “
crème fraîche” was op de verpakking echter veel groter weergeven dan de bewoordingen “
zu verwenden wie”. De prominente plaats van “
crème fraîche” op de verpakking, in combinatie met het feit dat het product in kwestie geen crème fraîche bevatte, maakte dat het gebruik in de omstandigheden van het geval in strijd werd geacht met het verbod om voorbehouden zuivelbenamingen te gebruiken voor niet-zuivelproducten.
Landgericht Konstanzbetreft een vergelijkbare kwestie over een product waarop stond “
wie Frischkäse”. [52] Het woord “
wie” was veel kleiner weergegeven dan “
Frischkäse”. Op de zijkant van de verpakking stond de tekst “
Brotaufstrich auf Sojabasis”. Naar het oordeel van het Landgericht was een dergelijk gebruik van het woord “
Frischkäse” in strijd met het bepaalde in punt 5, niettegenstaande de toevoeging “
wie” en de tekst op de zijkant van de verpakking. Volgens het Landgericht was er voorts sprake van schending van het bepaalde in punt 6, omdat de wijze waarop de term “
Frischkäse” op de verpakking is weergegeven bij de consument ten onrechte de indruk kan wekken dat het om een zuivelproduct gaat.
Landgericht Osnabrück. In die zaak was niet de productbenaming (die in de gepubliceerde versie van de uitspraak is geanonimiseerd) in geschil, maar de zinsnede “
rein pflanzliche Alternative zu Butterschmalz” die stond op de verpakking van een plantaardig product. [53] De term “
Butterschmalz” is beschermd op grond van het bepaalde in bijlage VII, deel III, punt 2, tweede alinea,
onder bbij Verordening (EU) 1308/2013. Volgens het Landgericht behelst de gewraakte zinsnede slechts een omschrijving van het desbetreffende product, zonder dat die zinsnede als blikvanger fungeert. Er is daarom een verschil met de “
Frischkäse” zaak van het Landgericht Konstanz:
Landgericht Heilbronn. [54] In die zaak ging het om een plantaardig vet dat was verpakt als een pakje boter en waarvan op de verpakking onder andere stond: “
WIE BUTTER zu verwenden.” Het product was bestemd voor de professionele afnemer en lag kennelijk niet in de supermarkt. De regelgeving inzake de voorbehouden zuivelbenamingen ook dan van toepassing, overweegt het Landgericht (rov. 43 en 44). Belangrijkste geschilpunt was of in deze zaak gebruik werd gemaakt van een benaming ter aanduiding van het betrokken product. Volgens het Landgericht is dat het geval:
ter aanduiding vanhaar sojaproducten (rov. 20). In rov. 22 overweegt het Hof van Beroep:
TofyTown, wordt een vrij strak onderscheid gemaakt tussen gebruik van een zuivelbenaming ter aanduiding van een plantaardig product en gebruik van een zuivelbenaming anders dan ter aanduiding van het product. Dat heeft het hof ook gedaan. Daarbij heeft het hof een verfijning aangebracht door een onderscheid te maken tussen het gebruik van een verkoopnaam en het gebruik ter aanduiding; beiden vallen onder punt 5.
“(plantaardige) yoghurtvariatie” in strijd is met punt 5, waar het hof in de onderhavige zaak oordeelde dat een dergelijke aanduiding wel door de beugel kon omdat daarin voldoende tot uitdrukking komt dat het product in kwestie een alternatief voor yoghurt betreft (zie rov. 3.7.1).
“te gebruiken als kookroom”niet in strijd is met punt 5 omdat daarin het sojaproduct niet als room wordt aangeduid (rov. 3.7.7). LG Hamburg verbood het gebruik op de verpakking van de zinsnede “
zu verwenden wie Crème fraîche” wel, maar alleen vanwege de presentatie ervan en niet omdat het zou gaan om de aanduiding van een niet-zuivelproduct met een zuivelbenaming.
4.Bespreking van het principaal cassatieberoep
Onderdeel 1bevat de klacht dat het hof een te beperkte uitleg heeft gegeven van de bepalingen met betrekking tot de voorbehouden zuivelnamen door te oordelen dat alleen het gebruik van zuivelbenamingen voor niet-zuivelproducten
als benaming of aanduidingniet is toegestaan.
Onderdeel 2klaagt dat het hof heeft geoordeeld dat “zuivel” als zodanig geen voorbehouden zuivelbenaming is.
Onderdeel 3klaagt dat het hof de door Alpro gebruikte bewoordingen niet heeft getoetst aan Verordening (EU) 1308/2013.
Onderdeel 4houdt in dat het hof, zo nodig ambtshalve, had moeten toetsen aan de regels inzake misleidende en vergelijkende reclame.
benamingof als
aanduidingvan haar sojaproducten. Indien de voorbehouden zuivelbenamingen door Alpro op een andere wijze worden gebruikt, is dat gebruik volgens het HvJEU in zijn arrest van 14 juni 2017 (Tofu Town) niet – als zodanig en zonder meer – in strijd met de bepalingen van Verordening (EU) nr. 1308/2013.”
niet voor andere dan in dat punt bedoelde producten mogen wordengebruikt”. Het subonderdeel stelt dat (de tekst van) Verordening (EU) 1308/2013 geen grond geeft voor het toepassen van enige beperkingen op dat “gebruik”. Gevolg is dat ‘elk gebruik’ van die benamingen voor niet-zuivelproducten is verboden. Die laatste stelling komt ook terug in de andere subonderdelen.
alle vormen van gebruikvan een voorbehouden zuivelbenaming omvat. [58] NZO heeft bij een dergelijke ruime interpretatie belang omdat uit het arrest
TofuTownvolgt dat het door punt 5 bestreken gebruik van zuivelbenamingen is verboden. Indien ‘elk gebruik’ van een beschermde zuivelbenaming onder de norm van Punt 5 kan worden gebracht, is daarmee iedere vorm van gebruik verboden, zonder dat van geval tot geval moet worden onderzocht of er gevaar voor verwarring bestaat. Ik acht die uitleg onjuist. Punt 5 ziet op gebruik van een voorbehouden zuivelbenaming ter aanduiding van een niet-zuivelproduct (zie ook hiervoor, 3.18) en niet op ‘elk gebruik’. Punt 6, dat ook ziet op het gebruik van zuivelbenamingen bij de presentatie van een product, zou dan zo goed als overbodig worden.
ofeen aanduiding, omdat beiden onder punt 5 vallen. Ik spreek, in navolging van het arrest TofyTown, van benaming
teraanduiding – dus het gebruik van een benaming om het product in het handelsverkeer een naam te geven. Ik zal hierna, waar ik het hof aanhaal, de door hem gebruikte terminologie volgen.
isen het hof derhalve een
a contrariolezing zou hebben gegeven van het arrest
TofuTown, dan mist de klacht m.i. feitelijke grondslag. Het hof heeft namelijk niet in die zin geoordeeld. Het hof overweegt in rov. 3.6.3. dat dergelijk ander gebruik van een beschermde benaming “
niet – als zodanig en zonder meer – in strijd is met de bepalingen van Verordening (EU) nr. 1308/2007.”, maar niet dat dergelijk ander gebruik
nietin strijd is met die bepalingen.
“Aanduiding”en aan
“gebruik van Aanduidingen voor ‘(niet-zuivel)producten’”. De door NZO voorgestane (ruime) uitleg zou volgen uit de tekst en de doelstellingen van de bijlagebepalingen. NZO beroept zich daartoe onder andere op de Engelse versie van die bepalingen.
Verordening (EU) 1169/2011: een misleidend etiket is verboden op grond van deze verordening en kan bovendien zijn verboden op grond van punt 6. De betekenis van art. 17 van Pro deze verordening is dat benamingen in de zin van die bepaling op grond van punt 2, tweede alinea, onder b van bijlage VII, deel III bij Verordening (EU) 1308/2013, worden beschermd naast de benamingen op de lijst opgenomen in punt 2, tweede alinea, onder a. [60] Argumenten voor een ruime uitleg van punt 5 levert deze vergelijking niet op.
meeliften op de reputatie van de beschermde benamingen: de aangehaalde regelgeving over beschermde oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen [62] (zoals
appellation d’origineof
Champagne) is niet van toepassing op zuivel en kan daarop ook niet analoog worden toegepast.
Richtlijn 2006/114/EGinzake misleidende reclame: hiervoor geldt hetzelfde als wat is opgemerkt onder 1). De door NZO genoemde Verordening (EG) 178/2008 (‘algemene levensmiddelenverordening’) is te algemeen om een aanknopingspunt te bieden voor de uitleg van punt 5.
Merkenrecht: bij de uitleg van een specifieke bepaling in een Europese landbouwverordening kan niet worden aangehaakt bij merkenrechtelijke begrippen of leerstukken. Overigens is ook op grond van het merkenrecht niet elk gebruik van een merk door een ander dan de merkhouder verboden, iets wat NZO hier wel bepleit voor de voorbehouden zuivelbenamingen. Zo mag bijvoorbeeld het merk Miele op de verpakking van stofzuigerzakken staan als die passen in stofzuigers van dat merk en kan elektronica die ‘
Apple-compatible’ is als zodanig worden aangeprezen. [63]
dat het gaat om woorden of afbeeldingen dieop om het even welke wijzehet product aanduiden, daarop voorkomen of voor het product verkoopbevorderend gebruikt worden”. Dit betekent bijvoorbeeld dat bij gebruik van bewoordingen als “yoghurtvariatie” sprake is van een beschermde ‘Aanduiding’ in de ruime betekenis die NZO aan die term geeft. [64] Onder punt 5 valt ook
“elk gebruik dat tot doel heeft de verkoop van die producten te bevorderen”, aldus het subonderdeel. Tegen deze achtergrond bestempelt NZO het andersluidende oordeel van het hof als rechtens onjuist. Voor zover het hof de door NZO voorgestane uitleg wél zou hebben toegepast, zou zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd dan wel onbegrijpelijk zijn.
“op enigerlei wijze”aan te duiden en dat het daarbij niet uitmaakt of zij de voorbehouden benamingen gebruikt op de verpakkingen van haar producten of anderszins bij de afzet dan wel presentatie van de producten. Het subonderdeel vindt het onbegrijpelijk dat het hof oordeelt dat het op enigerlei wijze aanduiden
nietis toegestaan, om vervolgens te oordelen dat het gebruik door Alpro van de begrippen “yoghurt”, “room”, “melk” en “zuivel” in de (meeste) beoordeelde zinsneden en woordcombinaties wél is toegestaan.
innerlijke tegenstrijdigheid tussen rov. 3.6.2 en rov. 3.6.3niet. Beide oordelen komen hierop neer dat Alpro de voorbehouden zuivelbenamingen niet mag gebruiken als (verkoop)benaming van haar sojaproducten of om haar sojaproducten aan te duiden, door mij aangeduid als ‘gebruik van een benaming ter aanduiding’ van de desbetreffende sojaproducten. Niets wijst erop dat het hof bedoeld heeft om op dit punt in rov. 3.6.3 iets anders te oordelen dan in rov. 3.6.2. Dat het hof aan zijn oordeel in rov. 3.6.2 de verduidelijking ‘op enigerlei wijze’ heeft toegevoegd doet daar niet aan af.
innerlijke tegenstrijdigheid tussen rov. 3.6.2 en rov. 3.7.1, 3.7.2, 3.7.7, 3.7.8, 3.7.10 en 3.7.12, waarin het hof gemotiveerd heeft geoordeeld waarom in de aan de orde zijnde gevallen geen sprake is van gebruik van voorbehouden zuivelbenamingen als benaming of ter aanduiding van de betrokken sojaproducten keert zich tegen een feitelijk oordeel.
TofuTownvolgt dat indien de voorbehouden zuivelbenamingen door Alpro op een andere wijze worden gebruikt dan als aanduiding of benaming voor haar sojaproducten, dit gebruik niet – als zodanig en zonder meer – in strijd is met de bepalingen van Verordening (EU) 1308/2013. Gesteld wordt dat dit oordeel blijk geeft van een onjuiste uitleg en toepassing van het arrest en onvoldoende is gemotiveerd.
nietis toegestaan. Anderzijds en in tegenstelling tot wat NZO aanvoert, moet de aangevallen overweging niet zo worden gelezen dat ander gebruik van een benaming dan ter aanduiding van een product volgens het hof steeds
wélis toegestaan.
TofuTownoordeelt het HvJEU inderdaad niet dat, áls de voorbehouden benamingen op een andere wijze worden gebruikt dan om een product aan te duiden, een dergelijke gebruik
nietin strijd is met de bepalingen van de bijlage VII, deel III. Dat kón het HvJEU ook niet oordelen omdat, anders dan in de onderhavige zaak, een geval van ‘ander gebruik’ daar niet voorlag. De zaak
TofuTowngaat alleen over het gebruik van een voorbehouden zuivelbenaming ter aanduiding van enkele plantaardige producten. [66]
“de voorliggende feiten onmiskenbaar kwalificeren als Aanduiding, en het gebruik van zuivelbenamingen om aan te duiden, in de zin van de Verordening”. Het andersluidende oordeel van het hof is onbegrijpelijk in het licht van de vaststaande feiten, aldus het subonderdeel.
op zichzelf reeds onmiskenbaar een wijze van aanduiding van de betrokken waren [vormen]” is niet juist. De consument kent en kiest een product op grond van de (verkoop)naam.
onderdeel 1in zijn geheel niet tot cassatie kan leiden.
voor producten vervaardigd uit het product dat normaal door melkklieren wordt afgescheiden”. Dat de benaming “zuivel” niet als ‘Aanduiding’ van niet-zuivelproducten mag worden gebruikt, volgt volgens het subonderdeel ook uit het Warenwetbesluit Zuivel.
oor de aanduiding van zuivelproducten en niet voor niet-zuivelproducten. Dit volgt uit de tekst zelf van artikel 114, lid 1 van Verordening 1234/2007 en de definitie van “zuivelproducten” in punt II, 2 van bijlage XII bij deze Verordening.”
elkgebruik van de beschermde benamingen
altijdleidt tot het aangeven, het impliceren of het suggereren dat het aangeprezen product een zuivelproduct is. De klacht dat het hof de aan punt 5 getoetste benamingen ook had moeten toetsen aan punt 6 treft geen doel, nu het hof daarbij volgens de klacht een maatstaf had moeten aanleggen die rechtens onjuist is.
telkens weer vergeleken worden met zuivelproducten”, zoals NZO stelt in de procesinleiding (punt 52), leidt niet tot een andere beoordeling.
waaromhet hof gehouden zou zijn tot ambtshalve toepassing van genoemde bepalingen uit het Burgerlijk Wetboek, [71] doet een dergelijke verplichting zich hier niet voor omdat:
meer of anders gevorderde”. In hoger beroep heeft NZO in haar memorie van grieven geconcludeerd tot vernietiging van het (gehele) vonnis van de rechtbank. [75] NZO heeft echter geen grief gericht tegen de afwijzing van haar vorderingen, voor zover die waren gebaseerd op misleidende en/of vergelijkende reclame. NZO heeft enkel gegriefd tegen de afwijzing van haar vorderingen voor zover die was gestoeld op de uitleg en toepassing van het bepaalde in Verordening (EU) 1308/2013. Na te hebben gegriefd dat de rechtbank de grondslagen van haar vordering niet juist heeft weergegeven (grief 2), [76] heeft NZO in het kader van grief 4 voor elk ‘bestreden’ sojaproduct betoogd dat Alpro het bepaalde in de punten 5 en 6 heeft geschonden, [77] om vervolgens te betogen dat het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van een schending deze bepalingen geen stand kan houden.
strekt tot bescherming van algemene belangen van zo fundamentele aard dat zij (ongeacht het partijdebat of de bijzondere omstandigheden van het geval) altijd door de rechter moet worden toegepast.” [81] Regels over misleidende reclame en/of vergelijke reclame zijn niet “fundamenteel genoeg” om daaronder te vallen ,ook als deze belangen een zeker fundamenteel karakter niet kan worden ontzegd. [82] NZO heeft in cassatie niets gesteld dat een aanknopingspunt zou kunnen bieden voor een andersluidende opvatting. NZO stelt zich slechts op het standpunt dat het hof art. 6:194 BW Pro en 6:194a BW ambtshalve had moeten toepassen omdat de feiten van het onderhavige geval volgens haar als misleidende reclame en/of ongeoorloofde vergelijkende reclame kunnen worden gekwalificeerd.
better safe than sorry-perspectief hoe dan ook een verstandige keuze. Toch mag de animo om naar Luxemburg af te reizen ons niet uit het oog doen verliezen dat het HvJEU kampt met een groeiende werklast door een toenemend aantal prejudiciële zaken. Gelet op de uitbreiding van de werkingssfeer van het Unierecht en daarmee het werkterrein van het HvJEU is dat een onvermijdelijke ontwikkeling. Het HvJEU zit m.i. echter niet te wachten op vragen die meer van hetzelfde zijn of die voornamelijk de toepassing van Unierechtelijke regels op concrete feitelijke situaties betreffen.
op dit moment” niet langer nodig te achten gelet op de duidelijkheid die het arrest
TofuTownhad gebracht. [84] In cassatie is het NZO die op verwijzing aandringt, “
voor zover de Hoge Raad haar klachten niet aanstonds gegrond zou bevinden.” [85] Bij repliek onderbouwt NZO de gestelde noodzaak van een verwijzing door erop te wijzen dat er een gevaar bestaat voor uiteenlopende rechtspraak binnen de Unie. Ik merk op dat een dergelijk gevaar er in potentie altijd is. Alpro neemt in cassatie het standpunt in dat een prejudiciële verwijzing niet noodzakelijk is omdat zij meent dat met het arrest
TofuTownde voor deze zaak noodzakelijke duidelijkheid heeft geschapen. [86]
acte clair.Voorts heeft het arrest
TofyTownveel verduidelijkt, maar dat arrest gaat over zuivelbenamingen als onderdeel van een productbenaming. De onderhavige zaak gaat primair over mededelingen op verpakking en op de websites van Alpro . In zoverre is er ook geen sprake van een
acte éclairé.
mogelijkin deze zaak een relevante prejudiciële vraag te formuleren, bijvoorbeeld of punt 5 jo punt 2 ziet op het gebruik van een beschermde zuivelbenaming: a. als (verkoop)benaming
ofaanduiding (hof, rov. 3.6.2 en 3.6.3), b. als benaming ter aanduiding van een product (mijn opvatting), c. alleen als verkoopbenaming (opvatting Alpro ), of d. als Aanduidingen waarbij elk gebruik in welke vorm dan ook eronder valt (opvatting NZO ). Het is ten zeerste de vraag of het HvJEU hier veel mee kan en de spraakverwarring er niet verder door wordt vergroot. Bovendien ontlopen de gevolgen van de opvattingen a, b en c elkaar in de praktijk heel weinig, terwijl ik als gezegd de door NZO voorgestane uitleg d onjuist acht. Ook zijn vragen te bedenken over de verhouding tussen punt 5 en punt 6, bijvoorbeeld of er nu een scherpe scheidslijn tussen beide bepalingen is (vermoedelijk niet). Voor de beslechting van het onderhavige geschil lijkt mij het niet noodzakelijk het HvJEU daarover om opheldering te vragen.
5.Bespreking van het incidenteel cassatieberoep
onbegrijpelijken meen daarom dat onderdeel d van het middel slaagt. Ik zal eerst de andere onderdelen bespreken.
schadevergoedingsvorderingnamens haar leden. [93] Alpro heeft in hoger beroep niet gerept van de onbevoegdheid van NZO om namens haar leden
een vordering tot een verklaring voor rechtin te stellen. [94] NZO heeft op haar beurt in haar processtukken in hoger beroep echter niet gepreciseerd waarop zij haar bevoegdheid tot het instellen van die vordering heeft gegrond.
onderdeel bgaat ervan uit dat de bevoegdheid om namens de leden een verklaring voor recht te vorderen is gebaseerd op de procesvolmacht, terwijl
onderdeel cervan uitgaat dat die bevoegdheid is gebaseerd op art. 3:305a lid 1 BW.
“[…]
het behartigen van de belangen van individuele leden voor zover deze niet in strijd zijn met de gezamenlijke belangen van de leden”(artikel 2.2(e) statuten NZO – (…).
de procedure” (zoals “
thans aanhangig voor het gerechtshof Den Bosch”). Blijkens de volmacht dient daaronder “in elk geval mede” te worden verstaan (onderstreping toegevoegd; AG):
vorderingen,
waarondertot schadevergoeding ter zake van het onrechtmatig handelen als in bovengenoemde procedure beschreven;”
alle vorderingenten behoeve van de leden heeft gebaseerd op de procesvolmacht. Daar ga ik in het hiernavolgende dan ook vanuit.
middelonderdeel cmaakt Alpro het hof het verwijt dat het een dergelijke toetsing achterwege heeft gelaten.
onderdeel cfaalt bij gebrek aan feitelijke grondslag in het bestreden arrest.
onderdeel bterecht is voorgesteld. Dat onderdeel klaagt dat, voor zover het hof de toewijzing van de gevorderde verklaring voor recht heeft gebaseerd op de procesvolmacht, het hof in strijd met art. 24 Rv Pro de feitelijke grondslag van de desbetreffende vordering van NZO heeft aangevuld. [97] NZO heeft namelijk niet gesteld dat de procesvolmacht zich uitstrekte tot het vorderen van verklaringen voor recht. Het onderdeel klaagt voorts over de begrijpelijkheid van de motivering van het oordeel van het hof. In het licht van de stelling van NZO dat zij beschikte over een procesvolmacht tot het instellen van een vordering tot schadevergoeding, de tekst van de volmacht en de verwijzing van NZO naar de cessie ter incasso om
“nakoming van die vergoedingsplicht te vorderen”, is volgens het onderdeel onbegrijpelijk dat het hof daarin (ook) een volmacht heeft gelezen tot het instellen van vorderingen tot een verklaring voor recht.
vorderingen”in te stellen. Daaronder valt ook de vordering strekkende tot een verklaring voor recht dat Alpro onrechtmatig jegens deze leden heeft gehandeld. Van een verboden aanvulling van feitelijke gronden is geen sprake, net zo min als van een onbegrijpelijk oordeel.
in de eerste plaatsop de verwijzing in het arrest naar de regel ‘dat de advocaat van een procespartij op zijn woord wordt geloofd’. De klacht lijkt te veronderstellen dat het hof deze regel (mede) ten grondslag heeft gelegd aan zijn oordeel dat NZO niet gehouden was schriftelijke volmachten over te leggen waaruit blijkt dat de advocaat van NZO door de leden was gemachtigd om namens hen de procesvolmacht aan NZO te ondertekenen. [99]
procesvertegenwoordiging door een advocaat. Als een partij in rechte verschijnt en daarbij wordt vertegenwoordigd door een advocaat moet deze geacht worden die partij bevoegd te vertegenwoordigen. Dit volgt uit art. 80 lid 3 Rv Pro. De rechter kan de advocaat niet vragen naar een procesvolmacht omdat een advocaat op zijn (of haar) woord moet worden geloofd. Op het onbevoegdelijk vertegenwoordigen van een procespartij door een advocaat staan tuchtrechtelijke sancties. Buiten het geval van procesvertegenwoordiging echter heeft een advocaat zoals ieder ander gewoon een volmacht nodig.
Alpro het bestaan en de rechtsgeldigheid van deze (proces)volmacht niet dan wel onvoldoende (gemotiveerd) heeft betwist”, zoals het hof in het vervolg van rov. 3.12.3 vervolgens uitwerkt. De verwijzing door het hof naar de regel ‘dat een advocaat van een procespartij op zijn woord kan worden geloofd’ heeft in zoverre slechts een aanvullend karakter.
“Nu Alpro niet (voldoende) gemotiveerd heeft betwist dat (…)”) heeft het hof dit oordeel hierop gegrond dat Alpro in de ogen van het hof niet (voldoende) gemotiveerd heeft betwist dat de advocaat van NZO bevoegd was tot het ondertekenen van de procesvolmacht namens de daarin genoemde leden.
de tweede klachtvan onderdeel d. Ook deze overwegingen geven volgens het onderdeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Hiertoe voert het onderdeel aan dat Alpro tegenover de enkele (impliciete) stelling van NZO dat haar advocaat beschikte over de volmachten tot ondertekening van de procesvolmacht niet meer kon aanvoeren dan dat zij heeft gedaan in haar pleitnota in hoger beroep. Voor zover het bestreden oordeel voortbouwt op het oordeel dat een advocaat op zijn woord kan worden geloofd, kan het volgens het onderdeel geen stand houden. Het oordeel is in ieder geval onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd, nu niet valt in te zien wat Alpro in het licht van NZO ’s stellingen op dit punt nog meer had moeten aanvoeren ter onderbouwing van haar betwisting, zo besluit het onderdeel.
“ Alpro niet (voldoende) gemotiveerd heeft betwist dat de advocaat van NZO bevoegd was tot het ondertekenen van deze procesvolmacht namens de daarin genoemde leden van NZO ”onbegrijpelijk is in het licht van hetgeen Alpro daarover bij pleidooi in hoger beroep heeft aangevoerd, behoeft bespreking. Ik acht die klacht
gegrond. Genoemd oordeel is namelijk onbegrijpelijk in het licht van wat Alpro’s gemachtigde heeft opgemerkt in punt 35 (iii) van zijn pleitaantekeningen (zie hiervoor, 5.3). Alpro heeft, in beleefde termen, het bestaan van volmachten van de leden van NZO aan mr. Stöpetie
expliciet betwist. Die betwisting acht ik voldoende gemotiveerd. Van Alpro kon in de gegeven omstandigheden niet worden verwacht dat zij meer zou aanvoeren. [100]