Conclusie
€ 12.000,- per jaar.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
omdatzij als partij aanwezig was geweest bij het voorafgaande getuigenverhoor van haar echtgenoot.
Met het oog op de datum van ingang van de huur, komen partijen overeen dat huurder een eenmalige korting van 2 maanden huur ontvangt, zodat de eerste huur betaling zal zijn voor de maand maart 2005.”
Het klopt dat ik bij de comparitie van partijen bij de kantonrechter heb gezegd dat ik mij kan voorstellen dat overeenkomsten (2) en (3) op dezelfde dag zijn getekend. Ik heb daar dus gezegd dat ik mij dat kon voorstellen, maar uit artikel 4.7 blijkt dat de tekening van overeenkomst 2 in maart 2005 was. Ik was laat met betalingen. Op 11 mei 2005 heb ik €2300 betaald, inclusief het voorschot van €150 per maand voor januari en februari 2005. Op 11 augustus 2005 heb ik €3000 betaald voor maart, april en mei 2005, dus zonder de voorschotten. Van de mogelijkheid van een B.V. is steeds al sprake geweest en dat werd concreet toen [betrokkene 1] een lege B.V. beschikbaar had. De betaling van €2300 euro over januari en februari 2005 betrof contract (1). De betaling van €3000 over de perioden maart, april en mei 2005 betrof contract (2). Daarom staat artikel 4.7. in contract (2). Ten opzichte van de ingangsdatum van contract (2), 1 januari 2005, heb ik 2 maanden huur korting genoten omdat ik pas vanaf maart 2005 voor contract 2 ging betalen. De betalingen voor januari en februari 2005 betroffen contract (1). Als de overeenkomsten (1) en (2) worden opgeteld heb ik geen korting genoten. Het woord korting in contract (2) slaat alleen op de opgeschoven ingangsdatum.”
Dat betekent dat met betrekking tot die twee maanden geen sprake is geweest van korting en dat de huur over deze twee maanden moet zijn betaald nadat artikel 4.7 in overeenkomst (2) was opgenomen.Wanneer deze overeenkomst zou zijn gesloten
nadatdie betaling had plaatsgevonden, had het opnemen van artikel 4.7 immers geen zin gehad.
Hiermee is door [verweerder] voldoende aannemelijk gemaakt dat, anders dan het hof ten tijde van het tussenarrest van 9 mei 2017 veronderstelde, overeenkomst (2) niet op 7 september 2005 is ondertekend, maar op het eerdere tijdstip dat [verweerder] noemt. Het is daardoor ook niet (langer) aannemelijk dat overeenkomsten (2) en (3) op hetzelfde moment zijn ondertekend. Daarmee is eveneens het verband tussen die overeenkomsten verbroken.
NJ2004/318 is geformuleerd, niet nauwkeurig heeft overwogen of gemotiveerd dat het onaanvaardbaar zou zijn dat de rechter aan de eindbeslissing zou zijn gebonden. Bovendien heeft het hof volgens het onderdeel miskend dat de onjuiste feitelijke grondslag in het tussenarrest te wijten is aan procespartij [verweerder] omdat deze heeft verzuimd om uiterlijk in zijn memorie van antwoord een beroep te doen op de omstandigheid dat de datum waarop overeenkomst (2) was ondertekend, een andere was dan de datum waarop overeenkomst (3) was ondertekend. Hierbij wordt opgemerkt dat kopieën van deze overeenkomsten al in eerste aanleg door partij [eiseres] in het geding waren gebracht.