Conclusie
“opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met aftrek van voorarrest zoals bedoeld in art. 27 Sr Pro.
eerste middelklaagt dat het hof de strafoplegging onvoldoende met redenen heeft omkleed.
“gelet op de ernst van het feit oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf geboden is”, terwijl het hof daar volgens de stellers van het middel vervolgens van lijkt af te wijken door te overwegen dat
“echter, gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals ter zitting is gebleken, kan worden volstaan met een gevangenisstraf van na te melden duur”.
“gelet op de ernst van het feit oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf geboden is”heeft het hof in zijn strafmotivering tot uitdrukking gebracht dat een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming wordt opgelegd en heeft het hof die sanctieoplegging verbonden met in de strafmotivering opgegeven redenen. Het hof heeft dan ook expliciet doen blijken dat het onder ogen heeft gezien dat hij een straf oplegt die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. [1] De hiervoor onder 5 weergegeven strafmotivering van het hof bevat dan ook wel, hoewel summierlijk, de in art. 359, zesde lid, Sv bedoelde opgave van de redenen die in het bijzonder hebben geleid tot de keuze van het opleggen van een vrijheidsbenemende straf. [2]
“echter, gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals ter zitting is gebleken, kan worden volstaan met een gevangenisstraf van na te melden duur”van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf heeft willen afwijken, berust op een verkeerde lezing van het arrest. Ik begrijp de overwegingen van het hof – in het bijzonder bezien in de context van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden – aldus dat met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte rekening wordt gehouden in de duur van de op te leggen (onvoorwaardelijke gevangenis)straf en dus niet in de toepassing van een andere strafsoort.
tweede middelbevat de klacht dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden.