Conclusie
2.Procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
managementvan het hotel door deze vennootschap werd gevoerd maar niet dat die vennootschap ook de
exploitantzou zijn en dat bij het management van het hotel ook past dat Di-Ann Hotel Management B.V. vanaf 2007 zeer regelmatig (maar niet altijd) de huur betaalde;
Klacht 1van een onjuiste maatstaf voor het vaststellen van feiten dan wel voor het aanbieden van bewijs, dan wel is het onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
eerste plaatsaan dat de Verhuurder de stelling van de Huurder c.s., dat de beschikbaarheid van de trap, althans in fysieke zin, cruciaal is voor het hotel niet of onvoldoende heeft bestreden, zodat het hof deze stelling op grond van art. 149 lid 1 Rv Pro voor juist had moeten houden (
nrs. 1.2-1.6van de procesinleiding) en omdat de Huurders c.s. hebben bestreden dat de trap juridisch niet van belang is (
nr. 1.6).
tweede plaatswordt geklaagd dat het hof de Huurder c.s. had moeten toelaten tot het door hen aangeboden bewijs (
nrs. 1.8-1.9 procesinleiding).
nrs. 2.1-2.2), die achtereenvolgens worden besproken in de onderdelen a en b van de klacht.
de eerste plaatsaan, kort gezegd, dat uit rov. 2 onder b, e en l (hierboven in 1.3, 1.5, 1.9 weergegeven) niet blijkt van de bedoelde erkenning. Uit de brief van de Verhuurder van 11 oktober 2006 blijkt wel dat de Verhuurder toen wetenschap had van het feit Di-Ann Hotel Management B.V. het hotel exploiteerde (zoals de Huurder c.s. hebben gesteld), wat ook zonder overdracht mogelijk is. Het hof heeft dit kennelijk miskend (
nrs. 2.3-2.9).
managementvan het hotel door Di-Ann Hotel Management B.V. en het zijn van
exploitantvan het hotel (zie rov. 3.9, hierboven in 3.2 onder (ii)). De klacht miskent dit onderscheid.
Nr. 2.8van de procesinleiding betoogt dat het feit dat het hotel was overgedragen aan de B.V. door middel van een pachtovereenkomst, de stelling ondersteunt dat de B.V. het hotel exploiteerde. Dit argument berust op een bepaalde lezing van de brief van 11 oktober 2006. Deze lezing strookt niet met de betekenis die het hof aan deze brief heeft gehecht. Het middel verwijst niet naar vindplaatsen in de processtukken waaruit blijkt dat dit feitelijke argument aan rechtbank of hof is voorgelegd. [6] Het kan niet voor het eerst in cassatie worden opgevoerd.
de tweede plaatsbetoogt onderdeel a dat uit niets wat het hof heeft overwogen, volgt dat het onderhavige betoog van de Huurder c.s. afstuit (“daargelaten”) op wat eerder in het arrest over de wetenschap van de Verhuurder is overwogen. In rov. 3.8 en 3.9 heeft het hof overwogen dat de Verhuurder wist van de betrokkenheid van Di-Ann Hotel Management B.V en dat die betrokkenheid niet betekent dat de verhuurder haar als huurder heeft aanvaard. Het in rov. 3.10 behandelde debat betreft echter de stelling de verjaringstermijn is aangevangen op 11 oktober 2006, omdat uit de inhoud van de brief van die datum zou blijken dat de Verhuurder toen wetenschap had van het feit dat Di-Ann Hotel Management B.V. het hotel exploiteerde. De overwegingen in rov. 3.8-3.9 kunnen dan om de in nr. 2.14 onder a, b.i en b.ii van de procesinleiding genoemde redenen niet of niet zonder nadere (ontbrekende) motivering van invloed zijn op het verjaringsdebat als behandeld in rov. 3.10 (
nrs. 2.10-2.15).
managementvan het hotel door Di-Ann Hotel Management B.V. en het zijn van
exploitantvan het hotel. Het voeren van het management verklaart waarom de B.V., huurbetalingen heeft gedaan (rov. 3.9).
nr. 2.14van de procesinleiding is de lezing die het hof heeft gegeven aan de brief van 11 oktober 2006 onvoldoende gemotiveerd, omdat het hof niet is ingegaan op de weerlegging van die door de Verhuurder bepleite lezing door de Huurder c.s. in hun pleitnota in hoger beroep nr. 15.
nr. 2.16van de procesinleiding over het passeren van het bewijsaanbod faalt om de eerder gegeven reden dat het aanbod niet voldoet aan de daaraan in hoger beroep te stellen eisen.
nr. 2.17).
de eerste plaatsonbegrijpelijk, omdat de Huurder c.s. niet hebben niet gesteld dat de Verhuurder in 2006 kon vermoeden wat de constructie was, maar (in de memorie van grieven nrs. 42 en 47) hebben gesteld dat de Verhuurder toentertijd wist van de exploitatie van het hotel door Di-Ann Hotel Management B.V. (
nrs. 2.18-2.19).
althans had kunnen en ook behoren te hebbenvan het feit dat Di-Ann Hotel Management B.V. niet alleen de giftshop exploiteert maar tevens de overige delen van het hotel. Daarom is niet onbegrijpelijk dat het hof ingaat op een vermoeden van de Verhuurder. Overigens, heeft het hof de stelling dat de Verhuurder toentertijd wist van de exploitatie van het hotel door de B.V. verworpen, zodat in zoverre ook belang bij de klacht in de nrs. 2.18-2.19 ontbreekt.
de tweede plaatswordt geklaagd (
nr. 2.20) dat het oordeel dat de B.V. voor of op 11 oktober 2006 het hotel niet exploiteerde, onbegrijpelijk is in het licht van de in de nrs. 2.21-2.23 genoemde redenen.
Nr. 2.21verwijst naar het betoog in de nrs. 2.5-2.9 van de procesinleiding.
Nr. 2.22betoogt dat het hof art. 149 Rv Pro heeft geschonden en grijpt kennelijk terug op Klacht 1.
Nr. 2.23klaagt nogmaals over het passeren van het in de memorie van grieven nr. 31 opgenomen bewijsaanbod. Een en ander is hiervoor al aan de orde gekomen en kan niet tot cassatie leiden.
Klacht 3heeft het hof in rov. 3.10 onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd overwogen dat zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet valt in te zien hoe de Verhuurder al in 2006 kon weten wat in 2012 de situatie zou zijn. Deze overweging rechtvaardigt niet de slotsom dat de B.V. voor 2012 niet de exploitant van het hotel was (
nrs. 3.1-3.2).
p. 9 van de procesinleidingwordt (in de eerste t/m derde alinea) geklaagd over slotoverweging van rov. 3.9, dat de Huurder c.s. geen andere concrete feiten en omstandigheden hebben gesteld waaruit blijkt dat de Verhuurder heeft geweten en aanvaard dat Dia-Ann Hotel Management B.V. de feitelijke exploitant van het hotel en de huurder van de bedrijfsruimten daarvan was.