De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarin de verdachte is veroordeeld voor verschillende zedenmisdrijven. De benadeelde partij vorderde schadevergoeding voor materiële en immateriële schade, waaronder studievertraging van een jaar en collegegeld.
De verdediging betwistte het causaal verband tussen de feiten en de schade, onderbouwd met artikelen waaruit bleek dat de benadeelde partij succesvol was in haar studie. Het hof wees de materiële schade toe tot een bedrag van €21.376,- en immateriële schade tot €5.000,-, met wettelijke rente. Voor overige posten zoals gitaarlessen en medische kosten werd de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof voldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat de studievertraging en collegegeld het rechtstreeks gevolg zijn van de bewezen feiten. De door de verdediging overgelegde artikelen dateren van na de periode van studievertraging en sluiten deze niet uit. De conclusie van de advocaat-generaal is om het cassatieberoep te verwerpen.