Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat het hof in strijd met art. 359, zesde lid, Sv heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven die hebben geleid tot het opleggen van een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf.
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie weken wegens overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Het hof motiveerde de strafoplegging met verwijzing naar de aard en ernst van het feit en eerdere veroordelingen van de verdachte.
Echter, het hof heeft niet uitdrukkelijk aangegeven waarom alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden was, zoals vereist op grond van artikel 359, zesde lid, Sv. Hierdoor ontbreekt de noodzakelijke motivering die specifiek de keuze voor de vrijheidsbenemende straf onderbouwt.
De Hoge Raad oordeelt dat dit verzuim leidt tot nietigheid van het arrest voor zover het de strafoplegging betreft. Daarom wordt het arrest vernietigd en wordt de zaak terugverwezen naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor hernieuwde berechting en beslissing over de strafoplegging.
De overige onderdelen van het arrest blijven onbesproken en de Hoge Raad vond geen ambtshalve gronden voor vernietiging.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens ontbreken van motivering van de onvoorwaardelijke gevangenisstraf en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.