ECLI:NL:HR:2019:620

Hoge Raad

Datum uitspraak
16 april 2019
Publicatiedatum
16 april 2019
Zaaknummer
17/05259
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9.2 WVW 1994Art. 359.6 SvArt. 359.8 Sv
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens onvoldoende strafmotivering bij rijden zonder geldig rijbewijs

De verdachte werd door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot drie weken gevangenisstraf wegens het besturen van een auto terwijl het rijbewijs ongeldig was verklaard, een overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Het hof motiveerde de straf door te verwijzen naar eerdere soortgelijke veroordelingen van de verdachte, de LOVS-oriëntatiepunten en omstandigheden zoals het verblijf van de verdachte in Spanje en diens afwezigheid bij de zitting.

De verdediging stelde in cassatie dat het hof niet voldeed aan artikel 359, zesde lid, van het Wetboek van Strafvordering door onvoldoende specifieke motieven te geven voor het opleggen van een vrijheidsbenemende straf in plaats van een taakstraf. De Hoge Raad oordeelde dat de motivering van het hof inderdaad niet voldeed aan de wettelijke eisen, omdat het hof niet concreet had toegelicht waarom een gevangenisstraf noodzakelijk was.

Hierdoor was sprake van een nietigheid van de strafoplegging conform artikel 359, achtste lid, Sv. De Hoge Raad vernietigde daarom het onderdeel van het arrest dat de strafoplegging betrof en verwees de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling en beslissing over de straf. Het overige van het arrest werd gehandhaafd.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de strafoplegging wegens onvoldoende motivering en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting.

Uitspraak

16 april 2019
Strafkamer
nr. S 17/05259
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 7 november 2017, nummer 21/000411-17, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.P. van der Graaf, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar alleen wat de strafoplegging betreft, en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak in zoverre op het bestaande beroep opnieuw zal worden berecht en afgedaan.

2.Beoordeling van het middel

2.1.
Het middel behelst de klacht dat het Hof in strijd met art. 359, zesde lid, Sv heeft verzuimd in het arrest in het bijzonder de redenen op te geven die hebben geleid tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf.
2.2.
Het Hof heeft de verdachte ter zake van "overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie weken. Het Hof heeft de strafoplegging als volgt gemotiveerd:
"Deze strafoplegging is in overeenstemming met de aard en ernst van het bewezenverklaarde feit en de omstandigheden waaronder dit feit is begaan, te weten het besturen van een personenauto, terwijl het rijbewijs ongeldig was verklaard, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte is eerder wegens soortgelijke feiten veroordeeld. Het hof heeft bij de strafoplegging aansluiting gezocht bij de LOVS-oriëntatiepunten.
Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat er geen termen aanwezig zijn voor het opleggen van een werkstraf gelet op de omstandigheid dat verdachte - die niet ter zitting is verschenen - moeilijk te traceren is en veelvuldig in Spanje verblijft."
2.3.
Deze overwegingen bevatten, in strijd met het zesde lid van art. 359 Sv Pro, geen opgave van de redenen die in het bijzonder hebben geleid tot de keuze van het opleggen van een vrijheidsbenemende straf. Dat verzuim leidt krachtens art. 359, achtste lid, Sv tot nietigheid (vgl. HR 27 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2202).
2.4.
Het middel is terecht voorgesteld.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
16 april 2019.