ECLI:NL:PHR:2019:162
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep inzake teruggave ingevorderd rijbewijs na afloop inhoudingstermijn
De zaak betreft een cassatieberoep van een klager die verzocht om teruggave van zijn ingevorderde rijbewijs, dat door het openbaar ministerie was ingehouden op grond van artikel 164 lid 4 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994).
De rechtbank Zeeland-West-Brabant had het klaagschrift van de klager ongegrond verklaard. De advocaat-generaal (AG) stelt in zijn conclusie dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat de inhoudingstermijn van het rijbewijs op 23 augustus 2018 is verstreken en het rijbewijs sindsdien niet meer op grond van artikel 164 lid 4 WVW Pro 1994 wordt ingehouden.
Uit de ingewonnen informatie blijkt dat het rijbewijs op 22 augustus 2018 is verzonden aan het CBR vanwege een nog openstaande vordering en dat op die dag een kennisgeving van het einde van de ontzegging van de rijbevoegdheid is aangemaakt. Hierdoor heeft de klager geen belang meer bij het cassatieberoep, aangezien een eventuele vernietiging van de beschikking geen verandering in zijn rechtspositie met betrekking tot het rijbewijs kan brengen.
De AG verwijst naar eerdere jurisprudentie en sluit niet uit dat het CBR een bestuursrechtelijke procedure is gestart op grond van artikelen 130-134a WVW 1994, waarbij het rijbewijs ook kan worden ingevorderd. Het cassatieberoep wordt daarom niet ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang na afloop van de inhoudingstermijn van het rijbewijs.