ECLI:NL:PHR:2019:162

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
8 januari 2019
Publicatiedatum
19 februari 2019
Zaaknummer
18/00776
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 164 lid 4 WVW 1994Art. 164 lid 8 WVW 1994Art. 130 WVW 1994Art. 131 WVW 1994Art. 132 WVW 1994
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep inzake teruggave ingevorderd rijbewijs na afloop inhoudingstermijn

De zaak betreft een cassatieberoep van een klager die verzocht om teruggave van zijn ingevorderde rijbewijs, dat door het openbaar ministerie was ingehouden op grond van artikel 164 lid 4 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994).

De rechtbank Zeeland-West-Brabant had het klaagschrift van de klager ongegrond verklaard. De advocaat-generaal (AG) stelt in zijn conclusie dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat de inhoudingstermijn van het rijbewijs op 23 augustus 2018 is verstreken en het rijbewijs sindsdien niet meer op grond van artikel 164 lid 4 WVW Pro 1994 wordt ingehouden.

Uit de ingewonnen informatie blijkt dat het rijbewijs op 22 augustus 2018 is verzonden aan het CBR vanwege een nog openstaande vordering en dat op die dag een kennisgeving van het einde van de ontzegging van de rijbevoegdheid is aangemaakt. Hierdoor heeft de klager geen belang meer bij het cassatieberoep, aangezien een eventuele vernietiging van de beschikking geen verandering in zijn rechtspositie met betrekking tot het rijbewijs kan brengen.

De AG verwijst naar eerdere jurisprudentie en sluit niet uit dat het CBR een bestuursrechtelijke procedure is gestart op grond van artikelen 130-134a WVW 1994, waarbij het rijbewijs ook kan worden ingevorderd. Het cassatieberoep wordt daarom niet ontvankelijk verklaard.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang na afloop van de inhoudingstermijn van het rijbewijs.

Conclusie

Nr. 18/00776 B
Zitting: 8 januari 2019
Mr. G. Knigge
Conclusie inzake:
[klager]
De rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, heeft bij beschikking van 7 februari 2018 het klaagschrift van de klager ex. art. 164 lid 8 WVW Pro 1994, strekkende tot teruggave van zijn ingevorderde en door het openbaar ministerie ingehouden rijbewijs, ongegrond verklaard.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager en mr. G.P. Dayala, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Ontvankelijkheid van het beroep
3.1. Ambtshalve vestig ik de aandacht op het volgende. In het aan de Hoge Raad toegezonden dossier bevindt zich de ‘Beslissing bij invordering rijbewijs’ van de officier van justitie waaruit volgt dat het rijbewijs van de klager op 27 december 2017 voor de periode van acht maanden is ingehouden, onder vermelding van “Inhouden uiterlijk tot: 23 augustus 2018”. Uit namens mij bij het arrondissementsparket Zeeland-West-Brabant en de CVOM ingewonnen inlichtingen is gebleken dat de klager op 27 maart 2018 door de politierechter in de rechtbank Zeeland-Wets-Brabant is veroordeeld tot onder meer een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van acht maanden en dat de klager tegen deze veroordeling tijdig hoger beroep heeft ingesteld. Voorts is uit de ingewonnen informatie gebleken dat het rijbewijs op 22 augustus 2018 is verzonden aan het CBR ten behoeve van een aldaar nog openstaande vordering en dat op diezelfde dag een brief ‘Kennisgeving einde ontzegging rijbevoegdheid’ is aangemaakt.
3.2. In cassatie kan niet als vaststaand worden aangenomen dat de klager zijn rijbewijs inmiddels heeft teruggekregen. [1] Desondanks moet het ervoor worden gehouden dat de klager geen belang meer heeft bij het onderhavige cassatieberoep. Daarbij kan in het midden blijven op welke grond het CBR het rijbewijs van klager onder zich is gaan houden. [2] Vast staat immers dat van inhouding van het rijbewijs op grond van art. 164 lid 4 WVW Pro 1994 vanaf 23 augustus 2018 geen sprake meer is geweest. Een eventuele vernietiging van de bestreden beschikking kan daardoor geen verandering brengen in de rechtspositie van de klager met betrekking tot het rijbewijs.
4. Deze conclusie strekt ertoe dat de klager in het cassatieberoep niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Dat was wel het geval in HR 10 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT8952,
2.Denkbaar is dat het CBR naar aanleiding van een melding van de politie over de onderhavige feiten een bestuursrechtelijke procedure is gestart naar de rijvaardigheid van de klager (op grond van art. 130-134a WVW 1994). In het kader van die procedure kan het rijbewijs worden ingevorderd (art. 130 lid 2 WVW Pro 1994).