ECLI:NL:PHR:2019:1402
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens niet-indienen middelen
De verdachte is door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot 36 maanden gevangenisstraf wegens deelname aan een criminele organisatie en diverse diefstallen en witwaspraktijken. Tegen dit vonnis is cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad.
De aanzegging van het cassatieberoep is op correcte wijze aan de verdachte en zijn raadsman betekend. De raadsman heeft zich ook formeel als zodanig gesteld bij de Hoge Raad. Echter, binnen de wettelijk gestelde termijn is geen schriftuur met middelen van cassatie ingediend.
Op grond van artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is het indienen van middelen binnen de termijn een vereiste voor ontvankelijkheid. Door het ontbreken hiervan kan de Hoge Raad het cassatieberoep niet in behandeling nemen en verklaart het niet-ontvankelijk.
De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het cassatieberoep. De zaak hangt samen met andere strafzaken tegen medeverdachten, maar deze conclusie betreft uitsluitend de ontvankelijkheid van het beroep van deze verdachte.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet indienen van middelen binnen de wettelijke termijn.