ECLI:NL:PHR:2019:1402

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
19 november 2019
Publicatiedatum
14 januari 2020
Zaaknummer
18/05183
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 435 SvArt. 437 SvArt. 27a Sr
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens niet-indienen middelen

De verdachte is door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot 36 maanden gevangenisstraf wegens deelname aan een criminele organisatie en diverse diefstallen en witwaspraktijken. Tegen dit vonnis is cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad.

De aanzegging van het cassatieberoep is op correcte wijze aan de verdachte en zijn raadsman betekend. De raadsman heeft zich ook formeel als zodanig gesteld bij de Hoge Raad. Echter, binnen de wettelijk gestelde termijn is geen schriftuur met middelen van cassatie ingediend.

Op grond van artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is het indienen van middelen binnen de termijn een vereiste voor ontvankelijkheid. Door het ontbreken hiervan kan de Hoge Raad het cassatieberoep niet in behandeling nemen en verklaart het niet-ontvankelijk.

De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het cassatieberoep. De zaak hangt samen met andere strafzaken tegen medeverdachten, maar deze conclusie betreft uitsluitend de ontvankelijkheid van het beroep van deze verdachte.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet indienen van middelen binnen de wettelijke termijn.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer18/05183
Zitting19 november 2019

CONCLUSIE

F.W. Bleichrodt
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,
hierna: de verdachte.
De verdachte is bij arrest van 27 november 2018 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens 1. “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”, 3, 7, 10, 13, 14 en 15, telkens opleverende “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak”, 5, 6, 9, 12, telkens opleverende “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming”, 19. “medeplegen van witwassen” en 20. “medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr. Voorts heeft het hof beslissingen genomen ten aanzien van in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen en ten aanzien van drie vorderingen van benadeelde partijen en dienovereenkomstig schadevergoedingsmaatregelen opgelegd.
De zaak hangt samen met de straf- en ontnemingszaak tegen medeverdachte [medeverdachte 1] (18/05113 en 18/05141) en de strafzaak tegen medeverdachte [medeverdachte 3] (19/00365), waarin ik vandaag ook concludeer.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Er is geen schriftuur ingediend.
De aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv is op 29 maart 2019 in persoon aan de verdachte betekend. Op 4 april 2019 is voorts mededeling van de betekening gedaan aan de raadsman van de verdachte (mr. S.F.W. van ’t Hullenaar). [1]
5. Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is het voorschrift van art. 437, tweede lid, Sv niet in acht genomen, zodat de verdachte niet in zijn cassatieberoep kan worden ontvangen.
6. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.Uit de stukken van het geding blijkt dat mr. S.F.W. van ’t Hullenaar, advocaat te Arnhem, zich in cassatie als advocaat van de verdachte heeft gesteld. Deze stelbrief is op 11 december 2018 bij de Hoge Raad binnengekomen.