Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerste middelklaagt dat het hof in strijd met art. 365a, tweede lid, Sv het verkort arrest niet heeft aangevuld met de gebezigde bewijsmiddelen als bedoeld in art. 359, tweede en derde lid, Sv.
tweede middelklaagt dat uit de strafmotivering van het hof niet blijkt welke straf het zou hebben opgelegd zonder rekening te houden met de door het hof geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn.
NJ2008/358, m.nt. Mevis.
thans(cursivering van mij, A-G) [zal] volstaan met oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van voorarrest”, kan mijns inziens niet anders worden begrepen dan in relatie tot die door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf van 5 jaren en het requisitoir van de advocaat-generaal zoals zojuist door mij weergegeven. Mede gelet op het verhandelde ter terechtzitting heeft het hof kennelijk een gevangenisstraf van 5 jaren tot uitgangspunt genomen, maar daarvan afgezien en een lagere straf opgelegd met het oog op de overschrijding van de redelijke termijn. Aldus begrepen heeft het hof impliciet tot uitdrukking gebracht in welke mate de straf is verminderd. Dit maakt dat de strafmotivering van het hof ter zake niet onbegrijpelijk is.