In deze zaak gaat het om de cassatie tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene werd vastgesteld op €273.255,00. Het hof hield bij de kasopstelling geen rekening met de door de betrokkene behaalde verdiensten uit privéhandel in auto’s, omdat deze niet fiscaal waren verantwoord en dus niet als legale inkomsten werden beschouwd.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad betoogde dat het hof onterecht deze verdiensten geheel uitsloot als legale inkomsten. Het enkele feit dat de inkomsten niet aan de fiscus waren opgegeven, betekent niet dat het volledige bedrag als wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden aangemerkt. Alleen het niet-betaalde belastingbedrag kan als illegaal worden beschouwd.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof een onjuiste rechtsopvatting had en onvoldoende had gemotiveerd waarom de verdiensten uit autohandel niet als legale inkomsten konden worden meegenomen. Daarom werd het arrest vernietigd en de zaak terugverwezen naar het hof voor hernieuwde beoordeling van het voordeel, waarbij de legale inkomsten uit de autohandel in aanmerking moeten worden genomen.
De zaak betreft een complexe toepassing van de kasopstelling als abstracte berekeningsmethode voor ontneming en de afbakening tussen legale inkomsten en wederrechtelijk verkregen voordeel in het kader van fiscale strafzaken.