Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
middelklaagt over de uitleg die het hof heeft gegeven aan het “voorhanden hebben” als bedoeld in art. 26 van Pro de Wet wapens en munitie (hierna: WWM). De uitleg dat voor het “voorhanden hebben” van een vuurwapen niet vereist is “dat de bewustheid van de verdachte omtrent het vuurwapen zich uitstrekte tot alle specifieke eigenschappen en kenmerken van het vuurwapen dat in zijn woning is aangetroffen, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting”.
[…]
Categorie II[…]
3°. vuurwapens die zodanig zijn vervaardigd of gewijzigd dat het dragen niet of minder zichtbaar is dan wel dat de aanvalskracht wordt verhoogd;
[…]
“Het is verboden een wapen of munitie van de categorieën II en III voorhanden te hebben.”
vuurwapen was een strafverzwarende omstandigheid waarop een gevangenisstraf van negen maanden was gesteld in art. 55, tweede lid aanhef en onder a, WWM (oud). Het voorhanden hebben van “schietwapens, geschikt om automatisch te vuren” was een verder strafverzwarende omstandigheid waarop een gevangenisstraf van vier jaren was gesteld in art. 55, derde lid aanhef en onder a, WWM (oud). De hoogte van de maximale gevangenisstraf was dus op grond van art. 55 WWM Pro (oud) afhankelijk van de categorie van het vuurwapen. [5]