Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
feitelijke leiding geven aan en opdracht geven tot het door een rechtspersoon begaan van medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd”, 3. “
valsheid in geschrift, meermalen gepleegd” en 4. “
medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, met aftrek van het voorarrest.
eerste middelbehelst de klacht dat het hof heeft verzuimd een met redenen omklede beslissing te geven op het verweer dat de dagvaarding ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde nietig is.
Feit 1De verdediging voert opnieuw aan dat de tenlastelegging op dit onderdeel onvoldoende concreet is en derhalve nietigheid het gevolg dient te zijn. Inmiddels is evident – zo concludeert immers ook het gerechtshof in het civiele hogere beroep – dat er door betrokkenen wel werkzaamheden zijn verricht. Werkzaamheden die wel onder een dienstverband zijn te scharen. Kort en goed: niet alle dienstverbanden van betrokkenen staan of kunnen ter discussie staan. Door het OM is onvoldoende concreet gemaakt welke dienstverbanden precies worden bedoeld door geen onderscheid te maken per persoon in de diverse dienstverbanden die zijn aangegaan.”
tweede middelbehelst de klacht dat de bewezenverklaring van feit 1, aanhef en onder a, voor zover inhoudende dat het ministerie van OCW is “
bewogen tot afgifte van meerdere geldbedragen”, niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Evenmin is de bewezenverklaring voldoende met redenen omkleed, met name in het licht van het gevoerde verweer dat strekt tot vrijspraak, aldus de steller van het middel.
bewogen tot afgifte van meerdere geldbedragen”. De uitbetaling van gelden voor personele kosten door het ministerie van OCW geschiedde vooraf. Deze geldbedragen werden hoe dan ook als voorschot afgegeven en stonden los van enige dienstverbanden. Dat deze geldbedragen in voorkomende gevallen terugbetaald moesten worden maakt dat niet anders, aldus de steller van het middel.
doordeze (fictieve) dienstverbanden dan ook niet bewogen tot de afgifte van meerdere geldbedragen. Voor zover het middel hierover klaagt is het terecht voorgesteld.
derde middelbehelst de klacht dat de bewezenverklaring van feit 4, voor zover inhoudende dat benoemingsbrieven (valselijk) zijn opgemaakt, niet uit de inhoud van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
vierde middelbehelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.