Conclusie
eerstemiddel klaagt dat de bewezenverklaring onder 1, dat de verdachte zich in de periode 1 augustus 2009 tot en met 30 september 2010 heeft schuldig gemaakt aan het opzettelijk zonder verleende vergunning een inrichting voor het repareren van schepen voor de beroepsvaart als genoemd in Bijlage 1 onder w van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer in werking hebben, onbegrijpelijk dan wel onvoldoende met redenen omkleed is en/of dat de kwalificatiebeslissing te dien aanzien onvoldoende met redenen omkleed is. Daarnaast zouden de bewezenverklaringen (onder 1 en 2) niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen volgen, nu uit de bewijsmiddelen slechts blijkt dat de verdachte zich bezig hield met de reparatie van ‘schepen’. Uit de bewijsmiddelen zou niet kunnen worden opgemaakt dat het ging om ‘schepen voor de beroepsvaart’ dan wel ‘schepen anders dan pleziervaartuigen’.
[medeverdachte 4], waarvan de directeur en enig aandeelhouder is genaamd: [medeverdachte 3].
[medeverdachte 1], waarvan de directeur en enige aandeelhouder is genaamd [medeverdachte 3].
[verdachte], waarvan de enige aandeelhouder is genaamd: [medeverdachte 4] en als bestuurder en directeur: [medeverdachte 3].
een vergunning Hinderwet werd gedaan voor [K] (in 1992 voortgezet onder de naam [medeverdachte 1]) en dat op 6 september 1988 aan [K]. een Hinderwetvergunning werd verleend, welke nog steeds vigerend is.
.
In maart 2011 heb ik beoordeeld of er een vergunningsplicht was en zo ja, voor welke activiteiten. De onderliggende vergunning (uit 1988), die er al was, ging alleen over een metaalbedrijf. [verdachte] werkte aan schepen. Voor die activiteit was er nog geen vergunning.’
tweedemiddel klaagt over schending van het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn in cassatie. De stukken van het geding zouden niet tijdig door het hof zijn ingezonden.