ECLI:NL:PHR:2018:978

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 juni 2018
Publicatiedatum
11 september 2018
Zaaknummer
17/01479
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 312 SrArt. 43a SrArt. 435 SvArt. 437 Sv
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verdachte in cassatie wegens niet-indienen middelen bij gekwalificeerde diefstal

De verdachte werd bij arrest van 4 maart 2016 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf werd verschaft door braak en inklimming, en binnen vijf jaar na een eerdere soortgelijke veroordeling. Hij kreeg een gevangenisstraf van vier maanden met aftrek van voorarrest.

Tegen dit arrest is tijdig beroep in cassatie ingesteld. Echter, hoewel de aanzegging conform art. 435, eerste lid, Sv geldig is betekend, zijn namens de verdachte geen middelen van cassatie ingediend binnen de wettelijke termijn. Hierdoor is niet voldaan aan het voorschrift van art. 437, tweede lid, Sv.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad concludeert daarom dat de verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het cassatieberoep. Er is tevens sprake van samenhang met twee andere zaken, maar ook daarin zijn soortgelijke conclusies getrokken.

Uitkomst: De verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet indienen van middelen binnen de wettelijke termijn.

Conclusie

Nr. 17/01479
Zitting: 12 juni 2018
Mr. E.J. Hofstee
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. De verdachte is bij arrest van 4 maart 2016 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, wegens “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming, terwijl nog geen vijf jaren zijn verstreken sedert een veroordeling van verdachte wegens een soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden met aftrek van voorarrest.
2. Er bestaat samenhang met de zaken 16/01310 en 16/02519. Ook in die zaken zal ik vandaag concluderen.
3. Namens de verdachte is tijdig beroep in cassatie ingesteld. Hoewel de aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv geldig is betekend, zijn namens hem geen middelen van cassatie voorgesteld.
4. Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437, tweede lid, Sv, zodat de verdachte in het beroep niet kan worden ontvangen.
5. Deze conclusie strekt ertoe dat de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG