Conclusie
1.Feiten en procesverloop in de onderliggende procedure
2.Het cassatiemiddel
3.Toelichting
mutatis mutandis.
Artikel 81
De bepaling sluit volledig aan bij de overeenkomstige bepalingen tot oprichting van Gemeenschapsoctrooirechtbanken en de Gemeenschapsmerkenrechtbanken.
De Lid-Staten zullen zich bij het aanwijzen van bedoelde rechtbanken hopelijk beperken tot de rechterlijke instanties, opgenomen in de bijlage bij het Protocol betreffende de beslechting van geschillen inzake Gemeenschapsoctrooien(welke lijst wel zal moeten worden aangevuld wat Spanje, Portugal en de nieuwe Länder van de Bondsrepubliek Duitsland betreft).
De leden 1 en 3 zijn identiek met de overeenkomstige bepalingen betreffende het Gemeenschapsoctrooi en het Gemeenschapsmerk, behalve dat uitdrukkelijk wordt verwezen naar het recht om informatie aangaande de oorsprong van de beweerdelijk inbreukmakende produkten te eisen (artikel 93, lid 2, onder a)). Lid 2, dat nieuw is, behoeft enige toelichting.
eerste lidkan iedere nationaal bevoegde rechterlijke instantie in de Verdragsluitende Staten dezelfde voorlopige of beschermende maatregelen treffen, welke voor nationale octrooien mogelijk zijn.
De bevoegdheid van rechterlijke instanties om voorlopige ofbeschermende maatregelen te nemen, ongeacht of zij zijn aangewezen als Gemeenschapsoctrooirechtbank of bevoegd zijn in het bodemgeschil,
vormt een uitzondering op de bevoegdheidsregels van artikel 14. [11] De maatregelen hebben slechts gelding in de Verdragsluitende Staat waar ze worden uitgesproken. Het eerste lid biedt een octrooihouder de mogelijkheid tot een snel en effectief optreden op de plaats waar zijn Gemeenschapsoctrooi bedreigd wordt.
Gemeenschapsoctrooirechtbanken kunnen volgens de regeling in hettweede lidvoorlopige en beschermende maatregelen uitspreken voorhet grondgebied van alle Verdragsluitende Staten. Voorwaarde is dan wel dat de Gemeenschapsoctrooirechtbank bevoegd is op grond van artikel 14, eerste tot en met vierde lid.”
bevat het Akkoord een uitgebreide regeling inzake de beslechting van geschillen over Gemeenschapsoctrooien. Deze regeling, welke is opgenomen in het Geschillenprotocol, is in 1985 tot stand gekomen en ongewijzigd in het Akkoord van 1989 overgenomen. Voor een goed begrip van deze complexe regeling wordt onderstaand ingegaan op de inhoud ervan.
Gemeenschapsoctrooirechtbanken van eerste aanleg. Per lidstaat is een beperkt aantal rechtbanken aangewezen (voor Nederland alleen de rechtbank te 's-Gravenhage)
die de volgende rechtsvorderingen met betrekking tot Gemeenschapsoctrooien behandelen:
inbreuk;
vaststelling van niet-inbreuk;
reconventionele rechtsvorderingen betreffende nietigverklaring in een inbreukprocedure.
effect voor het gehele grondgebied van de Gemeenschap. Voor zover in het Akkoord geen bijzondere bepalingen zijn opgenomen voor de rechtsgang bij deze instanties, volgen zij de regels van het nationale recht.
Voor andere vorderingen dan de onder a tot en met d genoemde zijn de gewone rechterlijke instanties van de lidstaten bevoegd.
De Raad voor de rechtspraak heeft aangegeven dat met de concentratie van procedures bij de rechtbank ’s-Gravenhage – en daarmee in tweede instantie bij het gerechtshof ’s-Gravenhage – wordt aangesloten bij de bijzondere expertise van beide gerechten op het terrein van het intellectueel eigendomsrecht. Naar de mening van de Raad heeft deze concentratie van procedures geen gevolgen voor de totale hoeveelheid procedures over Gemeenschapsmodellen en zal derhalve geen invloed hebben op de totale werklast van de gerechten.
Die taken zijn het beslechten van geschillen betreffende inbreuken op en geldigheid van Gemeenschapsmodellen.”
inbreukzaken. Uit verscheidene uitspraken volgt het voorlopig oordeel dat uit de redactie van art. 90 GModVo Pro volgt dat in kort geding – (voorlopige maatregelen) – ook voorzieningenrechters van andere rechtbanken bevoegd zijn (voor zover het gaat om het Nederlandse grondgebied) en dat deze bepaling voorrang heeft boven art. 3 Uvw Pro, dat mogelijk in strijd komt met art. 90 GModVo Pro. Andere uitspraken geven blijk van (op art. 3 Uvw Pro gebaseerde) exclusiviteit ook in kort geding voor de Haagse rechter.
"aan de rechterlijke instanties van een lidstaat, met inbegrip van de rechtbanken voor het gemeenschapsmodelkunnen voor een gemeenschapsmodel dezelfde voorlopige maatregelen worden gevraagd als het recht van die staat kent voor nationale modellen". Onder nationale modellen zijn voor Nederland te verstaan modellen die onder de - vervallen - Eenvormige (Benelux)Wet inzake Tekeningen of Modellen (BTMW) en het huidige Beneluxverdrag inzake de intellectuele eigendom (BVIE) zijn gedeponeerd. Reeds uit de onderstreepte tekst volgt dat de voorzieningenrechter in de rechtbank 's-Gravenhage niet bij uitsluiting bevoegd is van vorderingen in kort geding kennis te nemen. Anders dan [appellant] betoogt, heeft artikel 81 GModVo Pro geen voorrang op het bepaalde in artikel 90 GmodVo Pro.”
ex parteprocedures van art. 1019e Rv.
Ten aanzien van voornoemde vorderingen bepaalt artikel 3 van Pro de Uw GMVo: “Voor alle vorderingen als bedoeld in artikel 92 (thans artikel 96 GMVo Pro) van de verordening is in eerste aanleg uitsluitend bevoegd de rechtbank te ’s-Gravenhage en in kort geding, de voorzieningenrechter van die rechtbank.”
Mede gelet op het streven vastgelegd in de verordening om de rechtspraak over Gemeenschapsmerken zoveel mogelijk te concentreren bij gespecialiseerde gerechten is de voorzieningenrechter van oordeel dat artikel 3 van Pro de Uw GMVo niet onverbindend is wegens strijd met artikel 103 van Pro die verordening.
onbevoegdin kort geding. Terzijde: zittend als Haagse voorzieningenrechter heeft hij bij vonnis van dezelfde datum de zaak met instemming van partijen vervolgens ook inhoudelijk beslist. Dit afwijkende oordeel staat zodoende haaks op de nu bestreden klittenballetjeszaak van eerder dat jaar en volgt ook met zoveel woorden het Amsterdamse hof niet, omdat de Amsterdamse lijn deze plaatsvervangend voorzieningenrechter onjuist voorkomt. Dat is in de verwijzingsbeslissing als volgt gemotiveerd:
ten tweedeverduidelijkt dat voor alle vorderingen die niet onder artikel 81 GModVo Pro vallen, men terecht kan bij de “gewone” rechterlijke instanties die volgens de nationale regels absoluut en relatief bevoegd zijn. Hieruit kan worden afgeleid dat de Gemeenschapswetgever voor het overige juist niet heeft willen ingrijpen in de nationale regels betreffende absolute en relatieve bevoegdheid. Het lijkt immers niet logisch dat de Gemeenschapswetgever in het ene artikel (93) verwijst naar de nationale bevoegdheidsregels en in het andere artikel (90) die regels zonder omhaal van woorden (en zonder duidelijke reden: dwingend) opzij zet. Zo een nationale regel van relatieve bevoegdheid is als gezegd te vinden in artikel 3 Uitvoeringswet Pro.
exclusivejurisdiction to Community design courts in relation to a range of actions:
Unionsmarkengerichteerster Instanz sachlich zuständig (§ 937 I ZPO). Jedoch ist die Zuständigkeit dieser Unionsmarkengerichte nach Art 103 I UMV (= Art 131 UMV Pro nF) hier keine ausschlieβliche, sodern können einstweilige Verfügungsverfahren auch bei den anderen Gerichten eines Mitgliedstaats betrieben werden [27] , und zwar bei denen, welche nach ihrem für nationale Marken geltenden Recht zuständig wären (Art 103 I, 101 III UMV = Art 131 I, 129 III UMV nF), in Deutschland also bei den
KennzeichenstreitgerichteniSv § 140 (s dort Rdn 27). Art. 103 I UMV (=Art 1031 UMV Pro nF) enhält insoweit eine vom Hauptsacheverfahren abweichende Regelung nicht nur der internationalen (dazu Rdn 32 ff), sondern auch der sachlichen Zuständigkeit. §125e I (iVm §937 I ZPO) kann und will an dieser vorrangigen Regelung nichts ändern. [28] ”
Ungeklärt ist, ob Art. EU_VO_2017_1001 Artikel 131 Abs Pro. EU_VO_2017_1001 Artikel 131 Absatz Pro 1neben der internationalen Zuständigkeit
auch diesachliche
Zuständigkeit der nationalen Gerichteinnerhalb eines Mitgliedstaates
regeltoder ob hierfür über Art. EU_VO_2017_1001 Artikel 129 Abs Pro. EU_VO_2017_1001 Artikel 129 Absatz Pro 3 das jeweilige nationale Verfahrensrecht Anwendung findet, in Deutschland die §§ ZPO § 937 Abs. ZPO § 937 Absatz 1, ZPO § 943 Abs. ZPO § 943 Absatz 1, ZPO § 943 Absatz 802 ZPO, wonach für einstweilige Verfügungen nur die in der Hauptsache zuständigen Gerichte zuständig sind. In Deutschland hat dies Relevanz für die Frage, ob für den Erlass einer einstweiligen Verfügung nach Art. EU_VO_2017_1001 Artikel 131 nur Pro die auch in der Hauptsache zuständigen Unionsmarkengerichte oder daneben alle nationalen Markengerichte sachlich zuständig sind.
wohl hMin der deutschen Literatur und nach Auffassung des OLG Köln zur parallelen Vorschrift in der GGV (vgl. OLG Köln BeckRS 2012, BECKRS Jahr 19761; Ströbele/Hacker/Kober-Dehm MarkenG § 125e Rn. 4; Ingerl/Rohnke MarkenG § 125e Rn. INGERLROHNKEMARKENGKO MARKENG § 125E Randnummer 18; Fayaz GRUR Int 2009, GRURINT Jahr 2009 Seite 459 (GRURINT Jahr 2009 469); zur GGV auch Eichmann/v. Falckenstein/Eichmann DesignG § 52 Rn. 8, DesignG § 63 Rn. 3)
regelt Art. EU_VO_2017_1001 Artikel 131 Abs Pro. EU_VO_2017_1001 Artikel 131 Absatz Pro 1 auch die sachliche Zuständigkeit der nationalen Markengerichte,so dass für den Erlass einstweiliger Verfügungen nicht nur die Unionsmarkengerichte, sondern daneben alle nationalen Markengerichte zuständig sind. Nach
anderer Ansicht(vgl. Menebröcker/Stier WRP 2012, WRP Jahr 2012 Seite 885 (WRP Jahr 2012 890); zur GGV Ruhl GGV Art. 88 Rn Pro. 26)
regelt Art. EU_VO_2017_1001 Artikel 131 Abs Pro. EU_VO_2017_1001 Artikel 131 Absatz Pro 1 nur die internationale Zuständigkeit.Für die Frage der sachlichen Zuständigkeit innerhalb eines Mitgliedstaates sei über Art. EU_VO_2017_1001 Artikel 129 Abs Pro. EU_VO_2017_1001 Artikel 129 Absatz Pro 3 das jeweilige nationale Verfahrensrecht anzuwenden. Hiernach wären in Deutschland aufgrund der §§ ZPO § 937 Abs. ZPO § 937 Absatz 1, ZPO § 943 Abs. ZPO § 943 Absatz 1, ZPO § 943 Absatz 802 ZPO nur die Gerichte der Hauptsache, dh die Unionsmarkengerichte, für einstweilige Verfügungen nach Art. EU_VO_2017_1001 Artikel 131 zust Proändig (vgl. Menebröcker/Stier WRP 2012, WRP Jahr 2012 Seite 885 (WRP Jahr 2012 890); zur GGV Ruhl GGV Art. 88 Rn Pro. 26).”
rechtsvorderingengenoemd in art. 81 GModVo Pro (ongeacht het type
procedure). Art. 90 GModVo Pro inzake voorlopige en beschermende maatregelen is volgens mij geen uitzondering op de bevoegdheidsregel van art. 81 GModVo Pro, maar een algemene bepaling voor voorlopige en beschermende maatregelen, die ook ziet op andere typen rechtsvorderingen dan genoemd in art. 81 GModVo Pro en waarvoor de gewone rechterlijke instanties uit een lidstaat bevoegd zijn. Daartoe is het navolgende redengevend.
nietdat men met dit artikel een
interne bevoegdheidsregelheeft willen scheppen die afwijkt van de hoofdregel van art. 15 van Pro het Geschillenprotocol dat Gemeenschapsoctrooirechtbanken van eerste aanleg uitsluitende bevoegdheid hebben ter zake van onder meer “alle rechtsvorderingen betreffende inbreuk en – indien naar nationaal recht toegestaan – dreigende inbreuk op Gemeenschapsoctrooien”.
Welwordt in de Toelichting op art. 36 Geschillenprotocol Pro uitdrukkelijk vermeld dat de bepaling
een uitzonderingis op de bevoegdheidsregels van art. 14, waar niet de interne, maar de
internationale bevoegdheidwordt geregeld. Dus voor het verkrijgen van voorlopige en beschermende maatregelen inzake Gemeenschapsoctrooien was het idee dat men in verscheidene Verdragsstaten terecht kon, waarbij men niet gebonden was aan de internationale bevoegdheidsregels van art. 14. Ratio daarvan is – volgens de Toelichting – dat men snel en effectief kon optreden op de plaats (en dus in feite: het land) waar het Gemeenschapsoctrooi wordt bedreigd. De voorlopige en beschermende maatregelen hebben volgens de Toelichting alleen gelding in de Verdragsluitende Staat waar ze worden uitgesproken. Een uitzondering op deze hoofdregel (uit lid 1) is dan weer opgenomen in lid 2: Gemeenschapsoctrooirechtbanken kunnen – indien zij bevoegd zijn op grond van de internationale bevoegdheidsregels – voorlopige en beschermende maatregelen uitspreken voor het grondgebied van alle Verdragsluitende Staten [31] .
zonderdat er wordt gesproken over een uitzondering op deze regel voor voorlopige en beschermende maatregelen.
geschillen terzake van inbreuk op en geldigheid van Gemeenschapsmodellenen dat is geplaatst tegenover Afdeling 3 die betrekking heeft op
andere geschillen betreffende Gemeenschapsmodellen. Binnen Afdeling 2 is geregeld dat de rechtbanken voor het Gemeenschapsmodel
exclusief bevoegd zijn voor type-art. 81-vorderingen, waaronder die met betrekking tot inbreuk, en dat ook alleen deze rechtbanken krachtens art. 89 bevoegd Pro zijn om inbreukverboden op te leggen.
andere rechtsvorderingen dan type-art. 81-vorderingenworden ingesteld bij de rechterlijke instanties die absoluut en relatief bevoegd zouden zijn indien het rechtsvorderingen inzake een nationaal modelrecht van die lidstaat zouden betreffen. Ook uit deze artt. 89 en 93 GModVo volgt in mijn visie duidelijk dat de bevoegdheid van de rechtbank voor het Gemeenschapsmodel is gekoppeld aan de type-art. 81-vorderingen, ongeacht het type procedure.
algemene bepaling voor voorlopige en beschermende maatregelenin geschillen over inbreuk en geldigheid van Gemeenschapsmodellen. In dit soort geschillen kunnen ook andere vorderingen spelen dan type-art. 81-vorderingen (met inbreukvorderingen als de belangrijkste in dit verband), zoals een verzoek tot het leggen van (bewijs)beslag, een vordering tot opheffing van beslag of een verzoek om een voorlopig getuigenverhoor. Ten aanzien van dit soort vorderingen/verzoeken zijn de “gewone rechterlijke instanties bevoegd” (zoals ook volgt uit de Toelichting op het Geschillenprotocol, hiervoor besproken in 3.4) [32] . Dit verklaart dan ook meteen de opeens in dit licht beschouwd niet meer problematische of raadselachtige passage
aan de rechterlijke instanties van een lidstaat, met inbegrip van de rechtbanken voor het Gemeenschapsmodeluit art. 90 lid 1 GModVo Pro [33] . Voor dit soort niet-type-art. 81-vorderingen zijn de “gewone” nationale rechtbanken bevoegd, waaronder in voorkomend geval ook die (in ons land: ene) aangewezen rechtbank voor het Gemeenschapsmodel. Dat vermijdt de onvermijdelijke a contrario-redeneringen uit het “niet-exclusief-kamp” waar we hiervoor over struikelden.
een bevoegdheidsregel voor andere rechtsvorderingen dan die ter zake van inbreuken wel dat dan de rechter bevoegd is die dat absoluut en relatief zou zijn bij een nationaal (of zoals bij ons: Benelux-) modelrecht. In de literatuur lijkt deze regel te worden
doorgetrokken naar inbreukvorderingen in kort geding(zie Kort begrip van het intellectuele eigendomsrecht en Industriële Eigendom 2 en 3, waaruit hiervoor in 3.17 is geciteerd). Dat lijkt mij als gezegd wetssystematisch niet kloppen.
internationalebevoegdheid (art. 90 is Pro inderdaad een uitzondering op art. 82), maar geldt niet voor de
internebevoegdheid voor zover het gaat over type-art. 81-vorderingen waarvoor in het door mij geschetste model alleen de rechtbank voor het Gemeenschapsmodel bevoegd is. Zie andermaal de toelichting op art. 36 Geschillenprotocol Pro, hiervoor geciteerd in 3.4.
vorderingengenoemd in ar. 81 GModVo, ongeacht het type
procedure(dus ook in geval van inbreuk/geldigheids
kort gedingenop tegenspraak en ex parte), òok als de
meest wenselijkekan worden beschouwd, is niet moeilijk te onderbouwen. Dan krijgen rechters van die Gemeenschapsmodellenrechtbank de mogelijkheid om zich te specialiseren [38] en wordt eenheid van rechtspraak (eerder) bevorderd [39] (dan zonder exclusiviteit voor dit type vorderingen in het voor IE (althans in Nederland) belangrijke procestype kort geding). Het verkleint bovendien de kans dat een nietigheidsverweer in kort geding wordt gepasseerd omdat dit verweer te complex is, zoals de Amsterdamse voorzieningenrechter in de bestreden klittenballetjes-zaak heeft gedaan (rov. 4.3). Koenraad [40] schreef in zijn noot onder dit vonnis hierover het volgende: