Conclusie
2.Bespreking van het cassatiemiddel
eind mei 2008tot opschorting op grond van art. 6:262 BW Pro bevoegd was. Op dat moment had [verweerster] 23,5% van het installatiewerk uitgevoerd en was er 55% gefactureerd (kort nadien zelfs 85%, aldus deze zelfde rov. 2.26). Na deskundigenbericht constateert het hof vervolgens bij eindarrest in rov. 2.3 dat het door [verweerster] uitgevoerde werk
op 31 oktober 2008volgens de deskundige overeenkwam met 77% van de aannemingssom. [verweerster] is zodoende kennelijk in de tussentijd alsnog (gedeeltelijk) haar verbintenis uit de overeenkomst nagekomen. Hoewel er wel een impasse ontstond eind mei 2008, heeft [verweerster] pas eind oktober 2008 haar werkzaamheden daadwerkelijk opgeschort (rov. 2.1 van het eindarrest) en op 31 oktober 2008 het werk verlaten (rov. 2.47 2e TA van 1 april 2014). Wanneer de wederpartij (gedeeltelijk) presteert hangende opschorting, kan aan die opschortingsbevoegdheid een einde komen. In rov. 2.54 van het 2e TA van 1 april 2014 en het dictum in het eindarrest ligt dan ook besloten dat nu [verweerster] hangende de uitoefening van Procede’s opschortingsrecht alsnog heeft gepresteerd, daardoor aan deze opschortingsbevoegdheid van Procede een einde is gekomen. Dat is niet onbegrijpelijk of onvoldoende toereikend gemotiveerd, nu dit logisch volgt uit de door het hof gevolgde stapsgewijze uiteenzetting.
richtprijsen volgens art. 7:752 lid 1 BW Pro is dan een redelijke prijs verschuldigd, die volgens lid 2 behoudens waarschuwing niet meer dan 10% mag afwijken. Als we toch kijken naar de regeling bij een
vaste prijs (aanneemsom), waar partijen en hof ook van uit lijken te zijn gegaan, dan geldt dat ook bij een vaste prijs de prijs nog niet onomstotelijk vaststaat. De overeengekomen prijs zal in de praktijk vaak nog wijzigingen ondergaan ten gevolge van de verrekening van meer- en minder werk. Bij minderwerk gaat het om een mindere verrichting van het werk dan in de vraagspecificatie is aangegeven. Hierdoor is de opdrachtgever gerechtigd tot een inhouding op de overeengekomen aanneemsom [20] . In de wet is niet geregeld welke gevolgen minderwerk heeft op het bedrag van de verschuldigde aanneemsom; art. 7:755 BW Pro bevat alleen een regeling voor meerwerk [21] . Van der Beek stelt dat als de aannemer zonder meer meewerkt aan de wijziging van de opdracht, in veel gevallen ervan uit kan worden gegaan dat hij ook instemt met een evenredige verandering van het contract wat de aanneemsom betreft [22] . De aannemer zal een opdracht tot minderwerk volgens Van der Beek “soms” mogen beschouwen als een gedeeltelijke opzegging in de zin van art. 7:764 BW Pro [23] . Deze opzegging kan zowel stilzwijgend als uitdrukkelijk plaatsvinde [24] . Of sprake is van een opzegging hangt af van de omstandigheden, in het bijzonder de aard van de overeenkomst, de aard van het uit te voeren werk, de aard van de gevraagde wijziging en de manier waarop het verzoek tot minderwerk is gedaan [25] . In het geval van een opzegging bepaalt het tweede lid van art. 7:764 BW Pro, eerste zin, dat de opdrachtgever de voor het gehele werk geldende prijs moet betalen (de vaste prijs), verminderd met de besparingen die voor de aannemer uit de opzegging voortvloeien, tegen aflevering door de aannemer van het reeds voltooide werk. Indien de prijs afhankelijk was gesteld van de werkelijk door de aannemer te maken kosten, wordt de door de opdrachtgever verschuldigde prijs berekend op grondslag van de gemaakte kosten, verrichte arbeid en de winst die de aannemer over het gehele werk zou hebben gemaakt (tweede zin). Eventuele aanspraken die zijn ontstaan vóór de opzegging, bijvoorbeeld op vergoeding van schade, vervallen niet bij opzegging [26] . Een rechtsregel als geponeerd in onderdeel 2 valt in dit stelsel niet te ontwaren. Met de s.t. zijdens [verweerster] onder 6.4 meen ik dat er geen rechtsregel is die het hof noopt rekening te houden met gestelde reële “voltooiingskosten”.
opdrachteindigt voordat de opdracht is volbracht of de tijd waarvoor zij is verleend, is verstreken, en de verschuldigdheid van loon afhankelijk is van de volbrenging of van het verstrijken van die tijd, de opdrachtnemer recht heeft op een naar redelijkheid vast te stellen deel van het loon. Bij de bepaling hiervan wordt onder meer rekening gehouden met de reeds door de opdrachtnemer verrichte werkzaamheden, het voordeel dat de opdrachtnemer daarvan heeft, en de grond waarop de overeenkomst is geëindigd. Uit de definitie van overeenkomst van opdracht in art. 7:400 lid 1 BW Pro volgt dat aanneming van werk uitdrukkelijk is uitgesloten. Die laatste overeenkomst is ook geen species van de opdracht [29] . Ik teken daar nog bij aan dat Procede in feitelijke instanties geen beroep op de hier verdedigde maatstaf heeft gedaan, die beoordeling van nieuwe feitelijke stellingen zou vergen (in gelijke zin s.t. zijdens [verweerster] onder 6.4).
derde onderdeelveronderstelt om te beginnen dezelfde in onderdeel 2 geponeerde regel dat voor de vaststelling van de nakomingsvordering van de aannemer relevant is welke “voltooiingskosten” de opdrachtgever vervolgens moet maken, waarbij die kosten vermeerderd met de betalingsverplichting van de opdrachtgever de aanneemsom niet mag overschrijden. Dit uitgangspunt, zo zagen we bij de behandeling van onderdeel 2, vindt geen steun in het recht, zodat ook onderdeel 3 hier al goeddeels op strandt.