Conclusie
1.Feiten en procesverloop
De verkenning/waarnemingen
2.Opmerkingen vooraf over de gefourneerde dossiers
3.Bespreking van het cassatiemiddel
eerste onderdeelvalt uiteen in drie subonderdelen. Al deze subonderdelen zijn gericht tegen een of meer van de volgende rechtsoverwegingen van het arrest van het hof:
Brandstichting door een derde?
eerstbedoeldevraag en komt erop neer dat een onbekende derde vóór sluitingstijd door de hoofdingang het pand kan hebben betreden.
die deurenafsluiten met een hendel.
Die deurenzaten toen, 25 augustus 1999 op slot.
De buitendeurenzijn die dag niet open geweest. Ik heb bij vertrek gevoeld of ze op slot zaten en dat was het geval. Met die sleutel heb ik op andere plaatsen geen toegang.’
niethet oog had op de hoofdingang, maar op de deuren aan de buitenzijde van het magazijn, namelijk twee grote roldeuren en een loopdeur. In dat licht is niet onbegrijpelijk dat het hof in de memorie van grieven van 8 februari 2007 in zaak-28, onder 42, sub e niet heeft gelezen dat verzekeraars hebben bestreden de stelling van de erven [betrokkene 1] dat het warm weer was en dat de deuren van de hoofdingang openstonden. Eventueel laat de overweging van het hof zich ook zo verantwoorden, dat voor zover verzekeraars met hun stelling dat de deuren van het pand gesloten zijn geweest al mede het oog hadden op de hoofdingang en op de vraag hoe een derde het pand kan zijn binnengekomen, die stelling naar het kennelijke en niet onbegrijpelijke oordeel van het hof onvoldoende is gemotiveerd (want uitsluitend gebaseerd op de verklaring van [betrokkene 5] , die niet over de hoofdingang spreekt).
ernstig heeft bemoeilijkt. Het oordeel van het hof luidt echter dat niet is gebleken dat het daardoor redelijkerwijs
onmogelijkis geworden via de vluchtdeur te ontsnappen. De bedoelde bronnen sluiten die mogelijkheid inderdaad niet uit. De klacht faalt.
voorshands bewezenverklaring een beslissing die de rechtsbetrekking in het onderhavige geschil betreft en die is vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis c.q. arrest. Hieruit volgt
voor de onderhavige procedure dat genoemde voorshands bewezenverklaring op grond van artikel 236 Rv Pro bindende kracht heeften dat het beroep van NN c.s. op onrechtmatig handelen van [betrokkene 1] slaagt, tenzij [betrokkene 1] voldoende tegenbewijs bijbrengt tegen de voorshands bewezen geachte stelling van NN c.s. dat hij de brand heeft gesticht.’
zodat aan deze beslissing, zoals de rechtbank in rechtsoverweging 4.13 van het bestreden vonnis heeft overwogen,
in de onderhavige procedure bindende kracht toekomt.
Het gaat daarmee thans alleen om de vraag of de rechtbank [betrokkene 1] in de onderhavige procedure al dan niet had moeten toelaten tot het leveren van tegenbewijs. In verband daarmee overweegt het hof als volgt.’
verwerpingvan het cassatieberoep tot gevolg heeft dat in de procedure na verwijzing in zaak-26 heeft te gelden dat het tussenvonnis van 18 februari 2014 en het arrest van 28 februari 2006 gezag van gewijsde hebben en dat daarom voorshands, behoudens tegenbewijs, is bewezen (a) dat brandstichting de oorzaak van de brand is, en (b) dat [betrokkene 1] zelf de brand heeft gesticht. Dit terwijl anderzijds in zaak-28 –op grond van de
vernietigingbij het arrest van uw Raad in die zaak – heeft te gelden dat het tussenvonnis van 18 februari 2014 en het arrest van 28 februari 2006 géén gezag van gewijsde hebben en dat ieder oordeel omtrent het bewijs nog open lag.