Conclusie
tweede middelbehelst de klacht dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte gedurende de onder 3 primair bewezen verklaarde pleegperiode van 1 februari 2007 tot en met 10 november 2010 opzettelijk een stoornis in de gang of werking van een elektriciteitswerk heeft veroorzaakt, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was.
hij op 10 november 2010 in de gemeente Landgraaf opzettelijk heeft geteeld (in een pand aan de [a-straat 1]) een hoeveelheid van in totaal ongeveer 490 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;
hij omstreeks de periode van 1 maart 2010 tot en met 10 november 2010 in de gemeente Landgraaf met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een pand gelegen aan de [a-straat 1] heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit, toebehorende aan Enexis B.V., waarbij hij, verdachte, het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;
hij omstreeks de periode van 1 februari 2007 tot en met 10 november 2010 in de gemeente Landgraaf opzettelijk stoornis in de gang of in de werking van enig elektriciteitswerk heeft veroorzaakt waardoor gemeen gevaar voor goederen te duchten was, immers heeft hij, verdachte, in het pand aan de [a-straat 1] een hennepkwekerij aangelegd en ten behoeve van de stroomvoorziening van die hennepkwekerij een illegale elektriciteitsaansluiting gemaakt op de inkomende dienstleiding van de elektrische installatie, waardoor er meer elektriciteit kon worden afgenomen dan in overeenstemming met de installatie, ten gevolge waarvan de soldeerverbindingen aan de gebruikerszijde van de gasmeter door hitte- inwerking waren gesmolten en de kunststof dienstleiding vanaf het gasnet was gesmolten, waardoor het gas vrij kon uitstromen en tot ontbranding kon komen.”
derde middelbehelst de klacht dat het hof de benadeelde partij Enexis B.V. ten onrechte in de vordering tot schadevergoeding ontvankelijk heeft verklaard, althans dat het hof ten onrechte, dan wel onvoldoende gemotiveerd, de vordering van de benadeelde partij Enexis B.V. heeft toegewezen tot een bedrag van € 11.693,49.
De rechtbank heeft ook de wettelijke rente over de hoofdsom toegewezen. Het hof stelt evenwel vast dat de benadeelde partij die wettelijke rente niet heeft mee gevorderd, zodat die niet kan worden toegewezen.
Het hof zal verdachte verwijzen in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep, welke kosten het hof voor de beide instanties - anders dan de benadeelde partij - begroot op een bedrag van (€ 768,- + € 384,- =) € 1.152,-, alsmede in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Het hof is van oordeel dat voor het overige de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. De benadeelde partij kan daarom thans in zoverre in haar vordering niet worden ontvangen en kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
(…)
vordering van de benadeelde partij Enexis BV
wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij Enexis B.V. ter zake van het onder 2 en 3 primair bewezen verklaarde tot het bedrag van
€ 11.693,49 (elfduizendzeshonderddrieënnegentig euro en negenenveertig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;
bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.”
eerste middelbehelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.