In deze zaak stond de vraag centraal of de verklaring van de verdachte, waarin hij aangaf geen naald te willen laten steken, als een duidelijke en ondubbelzinnige bekentenis kon worden aangemerkt voor het weigeren van medewerking aan een bloedonderzoek. De verdachte werd veroordeeld wegens overtreding van artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994, omdat hij weigerde mee te werken aan het bloedonderzoek na verdenking van rijden onder invloed.
De advocaat-generaal stelde dat het hof terecht heeft geoordeeld dat de verklaring van de verdachte een bekentenis inhield en dat het hof daarom volstond met een opsomming van bewijsmiddelen in het vonnis, conform artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. De Hoge Raad bevestigde dat de verklaring "Ik weiger om een naald in me te laten steken" kan worden gezien als een bekentenis van de weigering tot medewerking aan het bloedonderzoek.
Verder werd benadrukt dat andere elementen in de verklaring van de verdachte, zoals ontkenning van druggebruik, niet afdoen aan de bekentenis ten aanzien van het specifieke strafbare feit. Ook werd gewezen op het belang van de procesopstelling van de verdachte, waarbij in hoger beroep geen bewijsverweer werd gevoerd.
De conclusie was dat het cassatieberoep faalt en dat het hof terecht heeft volstaan met een opsomming van bewijsmiddelen. Er waren geen gronden voor ambtshalve vernietiging van het bestreden arrest.