ECLI:NL:PHR:2018:500

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
17 april 2018
Publicatiedatum
24 mei 2018
Zaaknummer
16/05082
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.b OpiumwetArt. 310 SrArt. 311 SrArt. 80a RO
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatieberoep inzake opzettelijk telen van hennep en diefstal

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft verdachte veroordeeld wegens het opzettelijk telen van hennep en diefstal, met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf. Verdachte stelde in cassatie dat hij slechts medeplichtige was, omdat hij alleen een deel van zijn woning beschikbaar stelde en anderen de kwekerijen beheerden.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof het bewijsverweer begrijpelijk heeft verworpen. De verklaringen van getuigen ondersteunen de gewijzigde verklaring van verdachte onvoldoende. Verdachte heeft zelf verklaard verantwoordelijk te zijn zonder anderen te noemen, en er is geen bewijs van betrokkenheid van derden.

Daarom wordt het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 80a RO. De strafoplegging blijft in stand zoals door het hof bepaald.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het vonnis van het hof blijft in stand.

Conclusie

Nr. 16/05082
Zitting: 17 april 2018
Mr. D.J.C. Aben
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 16 september 2016 de verdachte in de zaak met parketnummer 16-652258-14 wegens: 1 primair
“opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod”en 2 primair
“diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking”en in de zaak met parketnummer 16-659901-14 eveneens wegens 1 primair
“opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod”en 2 primair
“diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking”veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met een proeftijd van twee jaren alsmede tot een taakstraf voor de duur van 200 uur, subsidiair 100 dagen hechtenis.
2. Er bestaat samenhang met de zaak 16/05084. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
3. Namens de verdachte is tijdig beroep in cassatie ingesteld. Mr. R.P. van der Graaf, advocaat te Utrecht, heeft een middel van cassatie voorgesteld.
4. Het
middelklaagt over het (in beide zaken) onder 1 bewezenverklaarde plegen van het opzettelijk telen van hennep. Volgens de steller van het middel kan de verdachte hooguit als medeplichtige worden aangemerkt. In het bijzonder klaagt het middel over de begrijpelijkheid van ‘s hofs oordeel dat
“de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] niet, althans onvoldoende, de gewijzigde verklaring van verdachte dat er andere personen bij de hennepkwekerijen betrokken waren, ondersteunen”.
5. In het bestreden arrest heeft het hof, voor zover hier relevant, het volgende overwogen:
“De raadsman heeft gesteld dat verdachte hooguit als medeplichtige bij de hennepkwekerijen kan worden aangemerkt, omdat verdachte alleen een deel van zijn toenmalige woning beschikbaar heeft gesteld aan derden voor het opzetten van de hennepkwekerijen. Verder heeft verdachte geen betrokkenheid bij de hennepkwekerijen gehad. De kwekerijen zijn door meerdere personen ingericht en de planten werden wekelijks door een andere persoon verzorgd. Deze lezing wordt volgens de raadsman ondersteund door de verklaringen van getuigen [getuige 1], de partner van verdachte, en [getuige 2].
Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde voor zover dit betreft het plegen wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende.
Verdachte heeft tot twee keer toe bij de politie verklaard dat hij verantwoordelijk was voor de in zijn woning aangetroffen hennepkwekerijen. Daarbij heeft hij geen (namen van) andere personen genoemd die bij de hennepkwekerijen betrokken zouden zijn. Naar het oordeel van het hof ondersteunen de verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] niet, althans onvoldoende, de gewijzigde verklaring van verdachte dat er andere personen bij de hennepkwekerijen betrokken waren. Ook overigens is niet gebleken van betrokkenheid van één of meer andere personen bij de hennepkwekerijen. Dat betekent dat het hof telkens niet bewezen acht het onderdeel ‘tezamen en in vereniging met een ander of anderen’ onder primair in de feiten 1 en 2 onder de twee parketnummers, het telkens primair tenlastegelegde voor het overige bewezen acht en niet toekomt aan de onder de twee parketnummers onder 1 en 2 subsidiair tenlastegelegde feiten.
6. Ik meen dat het hof het bewijsverweer hiermee geenszins onbegrijpelijk heeft verworpen.
7. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep op de voet van artikel 80a RO.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG