Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
12 juni 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep ingesteld door verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden inzake opzettelijk telen van hennep, strafbaar gesteld onder de Opiumwet en de artikelen 310 en 311 Sr. De advocaat van verdachte heeft een middel van cassatie ingediend. De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie.
De Hoge Raad heeft het beroep op ontvankelijkheid beoordeeld en geoordeeld dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit omdat verdachte klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden. Gezien artikel 80a RO en na advies van de Procureur-Generaal heeft de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Het arrest is gewezen door de vice-president van Schendel als voorzitter en de raadsheren Buruma en Claassens, en uitgesproken op 12 juni 2018. Hiermee is het cassatieberoep definitief afgewezen zonder inhoudelijke behandeling van de klachten.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte is niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang en niet-geschiktheid van de klachten voor cassatie.